Vijf families en een taaie vis; De raadselachtige criteria van de AKO-jury

Voor de AKO-literatuurprijs, die morgen wordt uitgereikt, nomineerde de jury zes boeken. Het voornaamste selectiecriterium was 'kwaliteit', maar ze lieten zich nauwelijks uit over wat ze daaronder verstonden. Wie de zes boeken achter elkaar leest merkt dat ze vrijwel allemaal gaan over families en ouderschap. “Laten de juryleden duidelijk maken waarom goede boeken altijd de werkelijkheid getrouw in beeld brengen en waarom ze altijd over relaties gaan.”

Zou het dan toch nog goed komen met de AKO-literatuurprijs?

Zes weken geleden maakte een jury van vijf literaire critici onder voorzitterschap van de Belgische minister van Staat Paula D'Hondt de namen bekend van de zes auteurs die dit jaar zijn doorgedrongen tot de eindronde van wat ooit de belangrijkste literaire prijs van Nederland leek te gaan worden. Adriaan van Dis, met zijn inmiddels alom gelezen en 'best verkochte' autobiografische roman Indische duinen, A.F.Th. van der Heijden met zijn polyfone requiem voor zijn vorig jaar overleden vader Asbestemming, Connie Palmen met haar in romanvorm gegoten filosofische essay De vriendschap, de tot voor kort volstrekt onbekende bioloog Tijs Goldschmidt met zijn literair getinte verslag van één van de grootste ecologische rampen van deze eeuw Darwins hofvijver, de Vlaamse Geertrui Daem met haar half in dialect geschreven verhalenbundel over het leven in de treurnis van de provincie Een vader voor Elizabeth, en de rasechte Amsterdammer Kees van Beijnum, met zijn gefictionaliseerde herinneringen aan een jeugd op de wallen, het weemoedige en poëtisch gestemde Dichter op de zeedijk.

Sindsdien koestert ieder de lijst alsof het om een verplichte schoolboekenlijst gaat, en alsof er nooit iets om de AKO-prijs te doen is geweest. De boekhandel, of het nu een AKO-kiosk is, een zelfstandige kwaliteitszaak of een vestiging van de met de AKO concurrerende Libris-groep, heeft op een opvallende plaats weer braaf de zes stapeltjes boeken neergelegd, met een kaartje 'genomineerd voor de AKO-literatuurprijs'.

Het wachten is nu op Sonja Barend. Tijdens een rechtstreekse televisieuitzending morgenavond van haar programma 'Sonja op zaterdag' zullen de uitverkoren schrijvers alle zes feestelijk hun opwachting maken in de Amsterdamse Rode Hoed, waar ze gelegenheid krijgen om tegen de presentatrice en de mensen thuis nog eens uitvoerig over hun boek te praten. Drie zwanen en drie musjes op de wicheltafel van juffrouw Ooievaar. En dan is het woord aan de jury. Jessica Durlacher, Doris Grootenboer, Chris van der Heijden, Marcel van Nieuwenborgh en Frans Roggen, de vijf 'beroepscritici' zoals de Stichting AKO-literatuurprijs hen hardnekkig noemt (ik wist niet dat we zoveel beroepscritici hadden) zullen onder leiding van de Belgische voorzitter hun beslissing bekend maken en voor maanden ligt weer vast van welk boek er vele tienduizenden extra exemplaren over de toonbank zullen gaan. Gezegend en gestempeld door het nihil obstat van de AKO-VARA combinatie.

Jubileumuitgaafje

Toch is er iets vreemd aan het lijstje van zes dat nu de ronde doet.

En dan doel ik niet op de uitgevers van de schrijvers die dit jaar niet genomineerd zijn. Zij zijn in gesprekken onder vier ogen uiteraard des duivels over de keuze van de jury. Maar zij zijn verstandig geworden, en ze hoeden zich er wel voor om hun kritiek op de prijs nog langer naar buiten te brengen. Volgend jaar is er weer een AKO-prijs en iedereen heeft kunnen zien wat er met de Bezige Bij-directeur Albert Voster is gebeurd. Nadat hij vorig jaar openlijk in woede ontbrandde over de publieke afgang van Nicolaas Matsier (die in de televisie-uitzending eerst wel en toen weer niet tot winnaar werd gekozen) moest hij dit jaar ervaren hoe al zijn top-auteurs zelfs al bij het opstellen van de longlist in de zomer volledig over het hoofd werden gezien. Van de tientallen boeken die hij had ingezonden drong alleen een zeer dun jubileumuitgaafje van een journalist tot de lange lijst met kanshebbende titels door.

Nee, het vreemde is dat de jury op geen enkele manier heeft aangegeven waarom ze nu juist deze zes titels uit de stapel van 305 die zij voor zich heeft gehad, heeft uitverkoren. Waren het eenvoudigweg de zes beste literaire boeken van het afgelopen jaar, zoals het juryrapport suggereert? Of had de jury een bijzondere voorkeur voor een bepaald genre? Welke criteria heeft de jury aangelegd? Waar heeft ze op gelet?

De verantwoording van de jury is wat dit betreft opmerkelijk kort. Er wordt aangegeven dat er naar 'kwaliteit' is gekeken en vervolgens wordt over elk van de zes titels die - kennelijk - van kwaliteit getuigen nog even summier iets vriendelijks opgemerkt. Van Dis is gevoelig, Van der Heijden is onbarmhartig eerlijk, Palmen is spannend, ontroerend, grappig en tragisch tegelijk, Goldschmidt onderscheidt zich door 'de manier waarop' hij elementen in elkaar laat overvloeien, Daem is ingeleefd en overtuigend, en Van Beijnum is spits en origineel.

De vraag is of dat niet van bijna elk goed boek kan worden gezegd.

Als het werkelijk alleen maar zou gaan om oorspronkelijkheid, eerlijkheid, ontroering en gevoeligheid, zouden net zo goed de volgende zes boeken genomineerd kunnen zijn: - de omvangrijke roman Raaf van Allard Schröder, zonder twijfel een van de oorspronkelijkste nieuwkomers van het afgelopen seizoen; - Hugo Claus' buitengewoon eerlijke satirische roman Belladonna, misschien niet het hoogtepunt uit zijn oeuvre maar nog altijd veel beter dan wat veel van zijn collega's voortbrengen; - Marie Kessels' hoogst originele en gevoelige De God met gouden ballen; - Herman Brusselmans' onweerstaanbaar grappige De terugkeer van Bonanza; - M.M. Schoenmakers' onbarmhartige De Spookkrabben; - Kristien Hemmerechts' ingeleefde Veel vrouwen, af en toe een man. Spits

Deze zes boeken zijn zonder twijfel even goed als de zes die nu door de jury zijn genomineerd, ze zijn minstens zo gevoelig, eerlijk, spannend, ontroerend, persoonlijk, overtuigend en spits als de andere, maar het vreemde is dat ze niet alleen niet op de shortlist zijn gekomen, maar ook niet op de maanden eerder gepubliceerde longlist hebben gestaan.

Waarom niet?

De voor de helft uit Vlamingen bestaande jury constateert nu kortweg dat de Vlaamse inzendingen van dit jaar een opvallend laag niveau hadden, maar dat is toch niet vol te houden van de laatste roman van Kristien Hemmerechts. Hoe je ook over haar denkt, Veel vrouwen, af en toe een man is, zoals sommige critici al schreven, waarschijnlijk het beste boek dat deze meervoudig bekroonde Vlaamse ooit geschreven heeft.

Wat is er gebeurd, dat de jury met uitgerekend deze lijst voor de dag kon komen?

Het is waar dat de nominaties dit keer geen onmogelijke titels bevatten. Het lijstje is niet zo absurd als het in het verleden wel eens is geweest. De zes genomineerden zijn voor het grootste deel bekronenswaardig en sommige van de auteurs zijn terecht al eens eerder bekroond.

Maar waarom is er slechts voor één soort boeken gekozen? Wie de voorgedragen boeken nu achter elkaar leest ziet meteen twee opvallende kenmerken. De meeste geselecteerde boeken onderhouden een buitengewoon nauwe relatie met de erin beschreven werkelijkheid. Bovendien gaan ze bijna zonder uitzondering over het leven in gezinsverband of over het (biologisch) ouderschap. Hoe ver de verschillende auteurs in hun boeken soms ook op reis gaan, het avontuur vinden ze uiteindelijk dicht bij huis. In het eigen dorp, in het eigen gezin, of in de eigen stamboom. In het huidige tijdsgewricht, waarin politici wijzen op het belang van het biologisch ouderschap en het gezin als hoeksteen van de samenleving, zou je de zes boeken de literaire vertaling kunnen noemen van een cultuuromslag.

Oorsprong

Niet ontkend kan worden dat deze accentwijziging voor een deel door de schrijvers zelf wordt aangebracht. Van A.F.Th. van der Heijden en Adriaan van Dis, die beiden een boek schreven waarin de reconstructie van het leven van hun vader een belangrijke rol speelt, staat vast dat ze nooit eerder iets deden dat in zo'n sterke mate met hen zelf en met hun eigen oorsprong was verweven.

Van der Heijden, die in zijn eerdere boeken niet voor een paar fantastische avonturen terugdeinsde en bekendheid kreeg als chroniqueur van de ongeremde vrijheid uit de jaren zeventig en tachtig, zingt in Asbestemming plotseling heel ingetogen de lof van het vaderschap. Zijn hoofdpersoon, die zich al gauw als een toegewijd vader ontpopt, gaat na de dood van zijn eigen vader na wat hij van hem heeft overgenomen.

Ditzelfde huiselijke element kom je tegen in Connie Palmens roman De vriendschap. Het boek is weliswaar een semi-filosofische verhandeling over de verschillende verhoudingen die er tussen mensen mogelijk zijn, maar het is toch vooral een zoektocht naar de verschillende connotaties van de begrippen vriendschap en familie. De schrijfster grijpt terug op het hechte vrienden- en familienetwerk zoals ze dat uit haar geboortedorp kent, en aan de hand daarvan worden de begrippenparen tegen over elkaar gezet: lichaam en geest, eten en drinken, hoofd en hart, familie en vriendschap. De conclusie van De vriendschap zou kunnen luiden dat je in het leven vrienden en familieleden hebt, maar dat de familieband, de band van het bloed, de hechtste is. De ene band kies je, de andere band kiest jou.

Van deze eerste drie boeken kan nog worden volgehouden dat de jury er niet omheen kon omdat ze tot de algemeen erkende canon behoren, Darwins Hofvijver, een bijna wetenschappelijk boek over evolutie en voortplanting, zou een andere literaire jury niet snel als prominente literatuur hebben geprezen. De bioloog Tijs Goldschmidt beschrijft in dit enigszins gefictionaliseerde reisverslag hoe hij in het Afrikaanse Victoriameer een gigantische rijkdom aan vissoorten ontdekt en vervolgens getuige is van het weer verdwijnen van de meeste soorten. Het boek is zonder twijfel het meest exacte boek dat ooit voor een literaire prijs is voorgedragen. Het bevat 165 literatuurverwijzingen, er worden tientallen mensen in bedankt, en er staan foto's, schema's en tabellen in van vissenkoppen en voedselketens.

Gezinselement

In de laatste twee genomineerde boeken, Dichter op de zeedijk van Kees van Beijnum en Een vader voor Elizabeth van Geertrui Daem, zit weer heel sterk het gezinselement. Hoewel de boeken op het eerste gezicht het onstuimige leven op de Amsterdamse wallen (Van Beijnum) en op het Vlaamse platteland (Daem) beschrijven, spreekt er een sterke behoefte aan geborgenheid uit.

Het jongetje uit het autobiografische Dichter op de zeedijk, dat door zijn grootmoeder in een hotel aan de Zeedijk wordt opgevoed, houdt zich in zijn wereld staande door een eigen territorium te creëren. Het verhaal dat door zijn tedere toon reminiscenties oproept aan het werk van Theo Thijssen, loopt uiteindelijk uit op een terugkeer van één van de hoofdfiguren naar het ouderlijk huis. Het door de ik-figuur aanbeden barmeisje besluit aan het eind van het boek naar haar beschutte dorp in de provincie terug te gaan: “Een maand of vier nadat ze verdwenen was, ontving hij een enveloppe. Het was vlak na nieuwjaar. Op de enveloppe stond zijn naam in kinderachtig schuinschrift. Afzender: E. Vermaath, Opwoud. Hij opende de enveloppe. Er zat een kerstkaart in. Op de achterkant was iets geschreven. Ook in dat handschrift. 'Met mij gaat alles goed... Ik hoop met jou en je oma ook... Hartelijke groeten ...Emmy (Muis)' '

De in bandeloosheid opgevoede dochter van de caféhoudster in het titelverhaal van Een vader voor Elizabeth (een titel die zou kunnen staan voor het jury-programma van dit jaar) gaat aan het eind van het boek op zoek naar de identiteit van haar vader. 'Ge moet geen schrik hebben dat het mijn eigenwaarde zal aantasten. Al is het de grootste zak!' zegt ze op zijn Vlaams tegen haar losbandige moeder. 'Het is trouwens wetenschappelijk bewezen: twéé zwakzinnigen hebben statistisch gezien méér kans op een geniaal kind dan één zwakzinnige gekruist met een genie.' Maar haar moeder gaat er niet op in. 'Haar dochter zou 't wel weer kwetsend bedoelen.'

Kneuterigheid

Is het patroon in de keuzes van de jury eenmaal duidelijk, dan wordt ook meteen begrijpelijk waarom zij in eerste instantie, op de longlist, ook nog de literair niet zo baanbrekende boeken van Brigitte Raskin, Bergman of Hannes Meinkema en Michel van der Plas (Vader (!) Thijm) had opgenomen, terwijl veel andere boeken meteen opzij werden gelegd.

In de roman Raaf van Allard Schröder wordt inderdaad wat meer met symbolen en thematische lijnen gewerkt dan dat die naar de werkelijkheid van het gezin verwijst. In De God met gouden ballen beschrijft Marie Kessels met veel oog voor de schoonheid van gewone objecten de liefde van een chocoladeverkoopster voor een oudere heer die aan kanker lijdt. En in Hugo Claus' Belladonna wordt inderdaad nogal grimmig de draak gestoken met de Vlaamse kneuterigheid die Geertrui Daem kennelijk zo lief heeft. Maar het zijn daardoor nog wel boeken met grote kwaliteiten.

Vorig jaar eindigde de uitreiking AKO-literatuurprijs (aan G. Durlacher voor zijn boek Quarantaine) met een nooit eerder vertoonde openlijke ruzie over de procedure bij het stemmen. Juryleden bleken opgestookt om extreme punten te geven, niet winnende kandidaten bleken evenveel punten te hebben behaald als winnende, een beëdigde notaris bleek cijfers te hebben opgeteld die hij nooit had gezien, en de VARA vergoelijkte alles achteraf met argument dat het nu eenmaal 'televisie' was.

Doordat er nu geen gewone lezers meer aan het oordeel te pas komen en geen beëdigde notarissen, is het risico van een dergelijk gekrakeel waarschijnlijk al in een vroeg stadium bezworen. Maar mag er alsjeblieft nog wel wat gezeur losbreken over de criteria die de jury heeft gehanteerd?

Laat er morgen alsjeblieft een debat zijn tijdens de uitzending waarin wordt ingegaan op de strekking van de boeken en de manier waarop schrijvers met hun materiaal omgaan. Laten de juryleden duidelijk maken waarom goede boeken altijd de werkelijkheid getrouw in beeld brengen en waarom ze altijd over relaties gaan.

Als dat hun criteria blijken te zijn, zou Connie Palmen de AKO Literatuurprijs moeten hebben. Haar boek is, wat je er ook op tegen kunt hebben, een gedegen, overtuigende, leesbare en af en toe bevlogen analyse van de manieren waarop mensen met elkaar en zichzelf kunnen omgaan.

Lukt het de jury niet om deze uitgangspunten te verdedigen, dan zou ze misschien beter een boek kunnen bekronen dat de werkelijkheid wat afstandelijker volgt. Als ze in haar verhalen een wat langere adem had gehad, zou dat het boek van Geertrui Daem kunnen zijn, het enige echte fictie-boek van de lijst. Maar zolang Daem dat uithoudingsvermogen en die inzet niet kan opbrengen, zal er gekozen moeten worden tussen de twee boeken die er in geslaagd zijn de werkelijkheid op een oorspronkelijke manier in literatuur om te zetten: Dichter op de zeedijk van Kees van Beijnum en Darwins hofvijver van Tijs Goldschmidt. Beiden schrijven zeker zo goed als Palmen, Van Dis of Van der Heijden, maar zij hebben het voordeel dat ze hun onderwerp op een poëtische manier vrijelijk naar hun hand hebben weten te zetten. Van deze twee heeft Tijs Goldschmidt dan een lichte voorkeur omdat hij met Darwins hofvijver een heel nieuw genre heeft gecreëerd. Natuurlijk kon Goldschmidt profiteren van het feit dat hij een thema heeft dat nooit eerder in een roman voorkwam, maar dat is niet zijn enige verdienste. Hij weet de nieuwsgierigheid en de teleurstellingen van een onderzoeker fraai duidelijk te maken en die zeggen meer dan de nostalgische terugblikken op een jeugd waar de jury zo aan hecht.

Mijn keuze: 1. Tijs Goldschmidt: Darwins hofvijver (Prometheus) 2. Kees van Beijnum: Dichter op de Zeedijk (Nijgh & Van Ditmar) 3. Connie Palmen: De vriendschap (Prometheus) 4. Geertrui Daem: Een vader voor Elizabeth (Meulenhoff/Manteau) 5. A.F.Th. van der Heijden: Asbestemming (Querido) 6. Adriaan van Dis: Indische duinen (Meulenhoff)

    • Reinjan Mulder