Trotse daders; The Cenci, Shelleys toneelstuk over incest

'Incest is, zoals vele andere onjuiste dingen, een heel dichterlijke aangelegenheid,' schreef de Engelse romanticus Percy Shelley. In zijn toneelstuk The Cenci, dat volgende week bij het Zuidelijk Toneel in première gaat, verkracht een Italiaanse graaf zijn dochter, die daarna haar vader laat vermoorden. “Beatrice is geen heldin met wie de toeschouwer zich gemakkelijk verenzelvigt.”

Percy Bysshe Shelley: De familie Cenci. Vertaling en voorwoord Gerlof Janzen. Uitg. Ambo, 139 blz. Prijs ƒ 29,90. Berthold Goldschmidt: Beatrice Cenci. Sony Classical S2K-66-836. De Cenci, gespeeld door Het Zuidelijk Toneel. Regie Dora van der Groen. Première 25 okt. Chassétheater te Breda. Het tekstboek bevat de oude vertaling van K.H. de Raaf in een bewerking van Brick de Bois.

Percy Bysshe Shelley keek haar voor het eerst echt in de ogen in 1819, toen hij in Rome was. Dit zag hij: 'Er ligt een strakke en bleke zelfbeheersing over haar gelaatstrekken: ze lijkt bedroefd en teneergeslagen, maar toch wordt de wanhoop, aldus uitgedrukt, verlicht door het geduld van de voornaamheid. Haar haar wordt bijeengehouden door een geplooide witte doek, die gele lokken van haar gouden haar vrijlaat. (-) Haar ogen die, naar men ons vertelt, opmerkelijk waren door hun levendigheid, zijn gezwollen van het huilen en zonder glans, maar prachtig teer en sereen. De hele gelaatsuitdrukking heeft een eenvoud en een waardigheid die, samen met haar exquise schoonheid en diepe smart, een onuitsprekelijke ontroering teweegbrengen.'

In het palazzo Colonna had Shelley het origineel gezien van het het beroemde portret van Beatrice Cenci, dat werd toegeschreven aan Guido Reni. Haar gezicht kende Shelley al; het jaar daarvoor had hij, onder de indruk van een oude kroniek waarin haar tragedie verhaald werd, een kopie gekocht. Maar in Rome was ze plotseling overal. Hoewel ze meer dan tweehonderd jaar daarvoor was onthoofd wegens vadermoord, was ze uitgegroeid tot een verhaal waar men niet over uitgepraat raakte. Was ze nu slachtoffer of dader, of allebei? De Engelsen in Rome discusieerden nog altijd over haar zaak en Shelleys Italiaanse bediende herkende haar onmiddellijk toen hij de kopie op zijn schrijftafel zag staan. Samen met zijn vrouw Mary bezocht de dichter het donkere en benauwende palazzo Cenci, tussen de Tiber en het Largo Argentina, waar Beatrices vader, de monsterlijke graaf Francesco Cenci, zijn dochter had verkracht.

Nauwelijks een maand later begon hij aan wat een drama in vijf bedrijven zou worden; een werk dat radicaal anders moest zijn dan alles wat hij daarvoor geschreven had; geen verheven symboliek, geen idealistische, neo-platonische lyriek, maar een kale, zwarte tragedie over een gedoemde familie. Zoals zijn beste biograaf, Richard Holmes, schrijft: 'Van kosmisch drama, met zijn fijne netwerk van symbolische lagen, wendde hij zich tot huiselijk melodrama, met een stevige, simpele intrige over schanddaad en wraak, en in een taal die vrijwel geheel ontdaan was van iedere beeldspraak.'

The Cenci is Shelleys enige voltooide toneelstuk, een lang drama in blanke verzen. Hoewel Mary Shelley het laatste bedrijf het mooiste vond dat hij ooit schreef, en het ook later nog wel een handvol verdedigers heeft gevonden, wordt het meestal afgedaan als een rariteit binnen zijn oeuvre, een kortstondige ontsporing van zijn genie. Er zijn aanwijzingen dat Shelley, die veel vergeefse moeite deed het stuk in Londen opgevoerd te krijgen, zelf dacht een kassakraker in handen te hebben. De ingrediënten waren er ook naar: een ontaarde vader, die zijn gezin terroriseert en zich gesteund weet door het gezag van een door en door corrupte katholieke kerk, een beeldschone dochter die eerst misbruikt wordt door haar vader, hem vervolgens door huurmoordenaars laat wurgen en uiteindelijk samen met haar stiefmoeder tot het schavot wordt veroordeeld. Maar zoals in de meeste dingen die hij deed, ging Shelley ook hierin te ver - The Cenci was een beetje teveel van alles voor het theaterpubliek. Het stuk werd goed besproken, maar kennelijk toch te schunnig gevonden om op te voeren. Het incestthema, de nauwelijks verholen spil van het stuk, bleek onverteerbaar tot lang na Shelleys dood.

Datzelfde thema is nu natuurlijk juist de reden om het stuk opnieuw voor het voetlicht te brengen. Zojuist verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling en Het Zuidelijk Toneel voert het stuk volgende week op.

Razernij

Shelley was zich bewust van de resonantie die de verkrachting van Beatrice door haar vader en haar daaropvolgende wraakneming had, zoals zoveel kunstenaars ná hem - Stendhal, Artaud, Beckett, Moravia; de zaak Cenci is een van die scandaleuze rechtszaken die een onontwarbare kluwen van morele dilemma's onthullen en dus als vanzelf schrijvers aantrekken. In het voorwoord bij zijn zojuist verschenen, zeer bekwame vertaling van The Cenci citeert Gerlof Janzen een brief die Shelley enkele maanden na het voltooien van het stuk aan een vriendin schreef: 'Incest is, zoals vele andere onjuiste dingen, een heel dichterlijke aangelegenheid. Het kan de uitwas van liefde zijn of van haat. Het kan datgene zijn wat alles trotseert, omwille van een ander, en dat zich hult in de glorie van de meest verheven heroïek, maar het kan ook die cynische razernij zijn die de gangbare mening omtrent goed en kwaad omverwerpt en doorbreekt, met als doel zich te buiten gaan in zelfzucht en afkeer.'

In The Cenci overheerst de cynische razernij. Het vreemde is dat Shelley zijn eigen instinct zo weinig trouw gebleven is. Het drama van het meisje Beatrice, tragisch ambivalent, dreigt in het stuk voortdurend ondergesneeuwd te worden door allerlei fletse nevenontwikkelingen. Zoals de titel al aangeeft, heeft Shelley er vooral een familiedrama van willen maken. In het eerste deel lijkt hij er op uit de melodramatische slechtheid van de graaf zo dik mogelijk te onderstrepen - deze richt een feestmaal aan ter ere van de plotselinge, vrijwel gelijktijdige dood van twee van zijn zonen. De twee dimensies waaruit Cenci opgetrokken is, worden aangezet door een opeenstapeling van slechtigheden. Critici hebben in The Cenci veel verwijzingen en bijna-citaten uit het werk van de Elizabethaanse tragedieschrijvers ontdekt, vooral uit Macbeth. Graaf Cenci komt over als een onbedoelde parodie op Shakespeares Richard de Derde, of een primitieve voorloper van die andere melodramatische schoft, baron Scarpia in Puccini's Tosca. In al zijn doelbewuste kwaadaardigheid blijft Cenci zo stijf als een plank.

Alleen in het vierde bedrijf, vlak voordat hij vermoord wordt, krijgt zijn perverse geest even reliëf, wanneer hij in een monoloog tegen Lucretia, zijn tweede vrouw, zich een kind van Beatrice voorstelt - het kind van zijn eigen zaad: 'als zij een kind krijgt, laat het dan een evenbeeld/ zijn van haarzelf, maar zo verwrongen als wanneer/ ze in een lachspiegel gekeken had. Laat haar/ haar eigen beeltenis zien, vermengd met wat ze 't meest/ verafschuwt, en die naar haar lacht vanaf de borst/ die 't voedt. Moge het kind vanaf zijn prilste jeugd/ steeds slechter worden, en mismaakter met de dag.' De passage bezorgt je rillingen maar daarna verandert de graaf weer in melodramatisch bordkarton.

Margaret Thatcher

Een ander probleem is Beatrice zelf. De eerste scène van het derde bedrijf, waarin ze na de verkrachting, die onzichtbaar voor de toeschouwer heeft plaatsgevonden, haar onwetende stiefmoeder ontmoet, is dramatisch fenomenaal. De geestelijke ontwrichting, het gevoel voor altijd besmeurd te zijn, Shelley vindt er verbazingwekkend directe woorden voor: 'ik stik,/ een zwarte, zware en vergiftigende walm/ bekruipt me, zet zich aan me vast. Hij is/ zo tastbaar en zo dicht, dat ik hem niet meer van/ me af kan plukken, want hij kleeft mijn vingers en/ mijn ledematen aan elkaar.' Op dit moment in het stuk blijkt Shelleys inspiratie werkelijk bevlogen.

Maar nog in dezelfde scène begint Beatrice te veranderen. Zelfmoord sluit ze uit, haar geloof verbiedt het, en al heel snel besluit ze dat haar vader, haar verkrachter, dood moet. De machinaties die aan de moord vooraf gaan, onthullen in haar een verbetenheid en nietsontziendheid die haar vader niet zouden hebben misstaan. Haar monologen krijgen gaandeweg een toon die aan de verbeten toespraken van Margaret Thatcher doen denken. Helemaal aan het einde van het stuk, wanneer ze in de dodencel haar excecutie afwacht, is ze van lijdend voorwerp in een ongenaakbare ijsprinses veranderd, die niet geplaagd wordt door enige twijfel of wroeging. In vrijwel niets, en dat is vreemd, lijkt ze meer op het portret dat Shelley zo empathisch beschreef in het voorwoord bij The Cenci (Richard Holmes wijst in zijn biografie overigens terecht op de opvallende gelijkenis tussen het portret van Beatrice en het beroemde portret dat Amelia Curran van Shelley zelf maakte, wat een onbewuste identificatie moet hebben veroorzaakt).

Die ommekeer maakt Beatrice niet tot een heldin met wie de toeschouwer zich gemakkelijk vereenzelvigt. Ze is van slachtoffer tot trotse daderes geworden, een soort Lorena Bobbitt, de Amerikaanse huisvrouw die als wraak op de mishandelingen van haar echtgenoot een mes pakte en zijn pik afsneed. Richard Holmes, zelf een onverbeterlijke romanticus, moet er niet veel van hebben en noemt het hele stuk 'comfortless and pitiless and cold'.

De vraag is of Shelley ook bewust wilde dat zijn stuk dat zou zijn. In zijn voorwoord keurt hij Beatrice's daad af. In zijn filosofie is het individu van nature onschendbaar. 'Het lijdt geen twijfel dat geen enkel mens werkelijk kan worden onteerd door de handeling van een ander,' schrijft hij. En de gepaste wijze om de meest verschrikkelijke kwetsingen te beantwoorden is vriendelijkheid en geduld, het vaste voornemen om degene die ons gekwetst heeft door middel van vreedzaamheid en liefde te bekeren van zijn duistere emoties. Wraak, vergelding, boete, zijn fatale vergissingen. Als Beatrice in deze trant gedacht had, zou zij er des te wijzer en beter om zijn geweest; maar dan was zij ook nooit een tragische persoonlijkheid geweest.'

Vreedzaamheid en liefde zijn schaars in The Cenci, en vriendelijkheid en geduld zijn ver te zoeken; het is een wreed universum waarin Beatrice haar ondergang tegemoet gaat. Dat de schending van haar lichaam ook haar geest aantast, het wezen van haar persoonlijkheid, lijkt de opvatting te zijn van Martin Esslin, de toneelcriticus en schrijver van het libretto dat de componist Berthold Goldschmidt gebruikte voor zijn opera Beatrice Cenci (1951); een lang vergeten werk dat als gevolg van de herontdekking van de nu 92-jarige Goldschmidt onlangs voor het eerst op cd is verschenen.

Twee koren

Esslin gebruikte zoveel mogelijk de tekst van Shelley, maar hij heeft niet geaarzeld te comprimeren en alle bijzaken te schrappen, zodat uiteindelijk het naakte drama van Beatrice zelf overbleef - wat een hele verbetering is. Als tragische operaheldin is ze gevoeliger en lyrischer, zeker zoals ze gezongen wordt door de lieflijke sopraan Roberta Alexander. Aan het einde laat Esslin het ambivalente karakter van haar tragedie door twee koren uitbeelden, die het volk op de excecutieplaats verbeelden: het ene beklaagt haar onschuld, het tweede scheldt haar uit voor moordenares.

Het is de goedbedoelende kardinaal Camillo die in de laatse monoloog, wanneer Beatrice en Lucretia het schavot betreden, het tragische van de verkrachting en de moord zichtbaar maakt, een tekst die niet in het toneelstuk staat: 'Guilty and yet not guilty./ Thus do evil deeds/ Breed evil,/ Crimes bring forth crimes.' En terwijl het koor een requiem voor de twee doden zingt, overhandigt hij ons de moraal die in het oorspronkelijke toneelstuk onzichtbaar blijft: 'Thus we are all emeshed/ In one vast web/ Of sin and guilt.'

Een reusachtig net van zonde en schuld; dat is kern van deze tragedie, zoals ook Shelley die gevoeld moet hebben. In een ideale wereld zou de monsterlijke slechtheid van graaf Cenci op zichzelf staan en zou Beatrice haar zuiverheid hebben kunnen bewaren, ondanks alles wat haar overkwam. Maar in de wereld zoals ze is zijn goed en kwaad hopeloos met elkaar verstrengeld, tast het kwade het goede aan, brengt haat haat voort, ondermijnt wreedheid iedere goede intentie. Shelley was een visionaire, romantische idealist die in veel van zijn gedichten en geschriften liet zien dat hij het beste voorhad met de mensheid: 'Het lijdt geen twijfel dat geen enkel mens werkelijk kan worden onteerd door de handeling van een ander.' Maar niet heus. In The Cenci wierp hij voor één keer een blik in de duistere kerkers van zijn ziel.