Samengeklonterde armen en benen; Surrealistische tekeningen op de Rijksakademie

De Rijksakademie viert haar 125-jarig bestaan met een expositie van tekeningen van recent afgestudeerde kunstenaars. “Het is opvallend dat kunstenaars die zich eigenlijk willen profileren als beeldhouwer of multi-media kunstenaar, met potlood en papier veel betere resultaten bereiken.”

De betekenis van het tekenen. Rijksakademie van Beeldende Kunsten, Sarphatistraat 470, Amsterdam. T/m 5 nov. Wo t/m zo 13-17u. Catalogus 70 blz., prijs ƒ 29,50.

Op 22 okt. organiseert de Rijksakademie een Museumroute langs Amsterdamse musea waar werk te zien is van leerlingen en oudleerlingen: het Rijksmuseum (10-17u), Van Goghmuseum (10-17u), Amsterdams Historisch (11-17u). In het Allard Pierson museum (13-17u) is de studiecollectie gipsen te zien. Op 8,9 en 10 dec. houdt de Rijksakademie open dag: de ateliers zijn dan gratis toegankelijk.

Van de 26 jonge beeldende kunstenaars die nu hun tekeningen exposeren in de Rijksakademie werkt er één abstract. De overigen bedienen zich allemaal van een verhalende, figuratieve beeldtaal. Tien jaar geleden zou dit nog ondenkbaar zijn geweest. Hooguit werd er destijds met het idee van figuratie geëxperimenteerd in de vorm van stijlcitaten.

Docent Franck van den Broeck selecteerde ter gelegenheid van het 125-jarig jubileum van de Rijksakademie, één van de drie postacademiale instituten in ons land, honderd tekeningen uit de afgelopen zeven jaar. Een aantal van hen heeft zich inmiddels een landelijke reputatie verworven. De expositie, die verspreid is over vijf ruimten die normaal in gebruik zijn als werkplaats, wil een breed beeld geven van hetgeen er op de Rijksakademie gepresteerd wordt op het gebied van het tekenen. Daarom koos Van den Broeck niet alleen werk van zijn eigen tekenafdeling, maar ook van de afdelingen schilderen, beeldhouwen en fotografische media; geen voorstudies, maar uitsluitend zelfstandige tekeningen. De selectie is van een hoog niveau. Hierbij is het opvallend hoe sommigen die zich eigenlijk willen profileren als beeldhouwer of multi-media kunstenaar, met potlood en papier, de simpelste middelen die in de beeldende kunst voorhanden zijn, veel betere resultaten bereiken.

In het kunstonderwijs verloor het tekenen zijn koninklijke positie als de grondslag der kunsten halverwege deze eeuw. In de jaren zestig gooiden de kunstacademies vrolijk alle op de klassieke kunst geënte regels overboord en keerden zij de traditie de rug toe. En passant verdwenen de gipsafgietsels van beelden die de kunststudenten eeuwenlang ten voorbeeld hadden gediend in de kelders, of werden ze aan opkopers meegegeven en in een enkel geval zelfs aan gruzelementen geslagen. Leslokalen heetten van nu af aan 'projectruimte' of 'atelier'. De studenten konden de kunstgeschiedenis voortaan negeren. Zij moesten zich nog maar met één ding bezighouden, namelijk met het opdiepen van het artistieke genie dat ergens binnen in hen verborgen lag. Tot op de dag van vandaag wordt de manier waarop studenten aan academies bezig zijn gekenmerkt door een vèrgaand narcisme en navelstaarderij, al dringt hier en daar het bewustzijn door dat er met het vernietigen van de traditie veel waardevols verloren is gegaan.

Toch is het niet vreemd dat de Rijksakademie juist met een tekententoonstelling haar jubileum viert. Men wil hiermee herinneren aan de ontstaansgeschiedenis van de academie. De Rijksakademie is voortgekomen uit de Amsterdamse Stads-TeekenAcademie, die in 1773 was gesticht. Hier tekenden de leerlingen naar voorbeeld van prenten, reliëfs en gipsafgietsels; pas daarna, wanneer zij zich in het nabootsen van grote meesters voldoende hadden bekwaamd, mochten zij tekenen naar levend model. Het tekenen als oefening bleef ook op de in 1870 opgerichte Rijksakademie het uitgangspunt van het onderwijs in de schilder-, beeldhouw- en graveerkunst. Een leerling werd alleen toegelaten als hij voldoende bedreven was in het tekenen. Deze ontstaansgeschiedenis heeft ertoe geleid dat de Rijksakademie nu nog een autonome tekenafdeling heeft.

Innerlijk oog

Tegenwoordig is het oefen-aspect van het tekenen geheel naar de achtergrond verdrongen. Toch wordt op de tentoonstelling zichtbaar dat het tekenen, zij het op een andere manier dan vroeger, voor veel kunstenaars nog steeds aan de basis ligt van het scheppingsproces. De tekening is het middel bij uitstek tot zelfonderzoek, het tasten naar de eigen drijfveren en het grip krijgen op een thema. De geëxposeerde tekeningen zijn dus geen figuur-, landschaps- of architectuurstudies, geen weergaven van een zichtbare werkelijkheid, maar registraties van dat wat het innerlijk oog ziet.

Zo zijn de krijttekeningen van Hannah van Bart te omschrijven als landschappen van de geest. Ze geven een bepaalde stemming weer. Zoals bijvoorbeeld een melancholieke, Venetiaans aandoende tekening van een avondschemering, met dromerige paarsblauwe huizen die hun verlichte ramen in het water weerspiegelen. Een andere, meer grillige tekening, met zwarte bomen die ook strijdende en gesneuvelde soldaten op een slagveld zouden kunnen zijn, verbeeldt onrust en somberheid.

Verrassend zijn de tekeningen van Erzsébet Baerveldt. Zij vereenzelvigt zich al jaren met de wrede, van machtswellust vervulde Hongaarse gravin Erzsébet Báthory (1560-1614). Baerveldt, die een sterke uiterlijke overeenkomst ziet tussen zichzelf en de gravin, van wie één portret bekend is, gaat ver in haar gedaanteverwisseling. Zo nam zij de voornaam van haar voorbeeld over, en langzamerhand vervaagden de grenzen tussen spel en werkelijkheid. In haar foto- en videowerken acteert Baerveldt de gravin, in een staat van hysterie en waanzin, uitgedost in een kopie van een zestiende-eeuwse jurk. Deze werken zijn wel een heel letterlijke weergave van Baerveldts obsessie, ze neigen sterk naar de anekdotiek. Maar in haar tekeningen behandelt zij het thema gedaanteverwisseling en -verdubbeling op een meer ingehouden manier, waardoor ze aan dramatische kracht winnen. Twee spiegelbeeldige vrouwen, getekend in enkele trefzekere lijnen, leggen elkaar met de vingers op de mond het zwijgen op, als om een geheim te bezegelen. Ook wisselen ze langharige pruiken uit, in een ritueel gebaar van onderlinge verstandhouding.

De combinatie van figuratie en het zoeken naar beelden uit een innerlijke wereld leidt als vanzelf tot een stijl die veel overeenkomsten heeft met het surrealisme. Overal op de expositie zijn surrealistische tendensen te herkennen. Bijvoorbeeld in de muurtekening van Moritz Ebinger. Een lijn die nu eens helderblauw, dan weer rood, lichtblauw of geel is, slingert zich in een vloeiende beweging over de muur. Soms is het een decoratieve arabesk, maar plotseling ontstaat dan een vreemde machine met grijparmen, een opengespalkte koe of de mantel van een geestelijke met twee kruisen. De tekening eindigt op het plafond in een uitbundige, stralendgele vlindervleugel.

De tekeningen van Karin Arink lijken ook regelrecht uit het onderbewuste te ontstaan. Uit de magere voeten van een naakt, kwetsbaar onderlichaam ontspruiten wortels die in de aarde grijpen. Op een andere tekening raken armen en benen samengeklonterd in een grote gemberachtige wortel. Arink maakt ook driedimensionale beelden van hulpeloze en ontluisterde lichamen die in de afgelopen paar jaar op verschillende plaatsen te zien waren; maar net als bij Baerveldt zijn haar tekeningen aangrijpender dan haar 'eigenlijke' werk. Tekenen is zeer direct, je kunt het bijna terloops doen, en kennelijk maakt dit het mogelijk om dichter bij de inspiratiebron te komen.

Molshoop

Lucia King tekent exotische, on-Hollandse taferelen in een prachtige, gevoelige lijnvoering. Een naar de kleding te oordelen Mexicaans echtpaar staat voor een huis met een plat dak en boogramen. Naast hen zitten hun twee 'kinderen', honden met jongenshoofden. Of twee mondaine vrouwen hangen lachend over een stoel, de tafel voor hen beladen met glazen en karaffen met wijn. Het werk van King is van een verfijning en elegantie die doen denken aan art deco. Merina Beekman onderscheidt zich juist door de grote formaten van haar tekeningen (tot vijf meter breed en bijna drie meter hoog), gemaakt met forse, zwartglanzende penseelstreken. Ook bij haar zijn de grenzen tussen droom en werkelijkheid verdwenen. Een reusachtige beer verschijnt op een leeg plein voor een moskee en een met oosterse draperieën afgedekte auto staat, geparkeerd in een enorme molshoop.

In deze door monsters en sprookjeswezens bevolkte tentoonstelling zijn de abstracte tekeningen van German Stegmaier eenzame verschijningen. Stegmaiers tastende, ijle potloodlijnen aan de randen van het blad papier zijn meer verwant aan de fundamentele kunst uit de jaren zeventig, waarbij het ging om de wisselwerking tussen vorm en materiaal. Zijn manier van werken heeft nu iets ouderwets gekregen; maar mooie tekeningen zijn het wel. Het is goed dat Van den Broeck het werk van Stegmaier heeft opgenomen, als een klein, contemplatief tegenwicht. Niets is vluchtiger dan modes aan kunstacademies. Wellicht is over tien jaar de figuratie weer passé.

    • Janneke Wesseling