Nadenken is levensgevaarlijk; Gesprek met filmmaakster Paula van der Oest

Twee films van de jonge cineaste Paula van der Oest zijn sinds gisteren in de bioscoop te zien: Achilles en het zebrapad en Coma, waarvoor ze in 1993 een Gouden Kalf kreeg voor het beste tv-drama. Zodra de hoofdpersonen in beide films zich afvragen wat de zin van het leven is, loopt het slecht met ze af.

De films Coma en Achilles en het zebrapad van Paula van der Oest zijn t/m 9 nov te zien in Rialto, Amsterdam, inl: 020-6623488. Daarna tournee langs de filmtheaters in Nederland.

In adembenemende vaart flitst een brommerkoerier door Amsterdam, hij scheert rakelings langs trams, rijdt voetgangers van de sokken, hij tuimelt als een bezetene door de straten, voert een slalom uit om parkeerpaaltjes, remt en geeft gas, maar liever remt hij helemaal niet en geeft alleen maar spetterend gas - hij heeft haast. Deze openingsscène van de film Achilles en het zebrapad (1995) van de cineaste Paula van der Oest (30) lijkt een futuristisch loflied op Amsterdam, de drukte, de snelheid, de schoonheid van het rauwe lawaai dat een stad altijd in zijn greep houdt.

Totdat de brommerkoerier Hank (Eric Arens) met zijn haviksogen aan een verweerde muur een affiche ontdekt met de tekst: 'Wedstrijd in het ongelukkigste bewustzijn.' Hij remt, keert om, leest en leest. Zijn gezicht klaart op, wordt open, en later, 's avonds voor de televisie, beseft Hank: het kan niet anders of hij moet aan die wedstrijd deelnemen. De overtuiging dat hij het ongelukkigste bewustzijn ter wereld heeft, slaat bij hem in als een meteoriet.

Aanleiding tot het maken van de film Achilles en het zebrapad vond Paula van der Oest in een verhaal dat Yolande Jansen in een filosofisch tijdschrift publiceerde over de Deense wijsgeer S⊘ren Kierkegaard. In een van zijn boeken, Of/Of (1850), schrijft hij die wedstrijd in het ongelukkigste bewustzijn uit. Yolande Jansen bracht de wijsgerige abstracties van Kierkegaard, zoals snelheid tegenover stilstand, geluk versus ongeluk, zin van het leven naast zinloosheid, over op een hedendaags personage: de brommerkoerier. Een gouden vondst, die door Paula van der Oest werd overgenomen en in filmbeelden vertaald.

Sindsdien heet het dat Paula van der Oest zoveel 'filosofische diepte' aan haar films geeft. Het is een etiket waartegen ze zich verzet, want humor en lichtvoetigheid zijn evenzeer kenmerken van haar films: “Toen ik klein was wilde ik etaleuse worden. Ik zie, achteraf, veel overeenkomsten tussen het maken van etalages en van films. In beide gevallen kijkt iemand door een raam naar een andere, een geënsceneerde werkelijkheid. Wat mij fascineert aan film is het totaal ervan; het is beweging, beeld, acteren, muziek, taal, geluid. Ik ben beslist geen cinefiel die op haar achtste in de bioscoop het licht zag en vanaf dat ogenblik dacht: 'Nu word ik filmer'.” In het dorp waar ze opgroeide, Laag Soeren op de Veluwe, was geen bioscoop. De dichtstbijzijnde stad met bioscopen was, vertelt ze, Arnhem - evengoed nog een heel eind weg.

“Ik vind dat films ergens over moeten gaan. Op de Filmacademie in Amsterdam leerde je denken in genres: thriller of horror, een actiefilm, komedie of melodrama. Ik denk liever in thema's, dan kom je vanzelf bij een stijl, een genre uit. Ooit heb ik beweerd dat het een groot gemis is dat er op de Filmacademie geen filosofie wordt gedoceerd; dat klinkt me nu al te boud in de oren. Eigenlijk hoeft het ook helemaal niet; wie belangstelling toont voor grote, wezenlijke vraagstukken komt vanzelf uit bij filosofie en ook bij de kunsten. Ik geloof dat er een intense wisselwerking bestaat tussen filosofie en kunst. Maar ik heb geen intellectuele benadering van wijsbegeerte; ik zal me niet op de hele Kant gaan storten. Het is meer wat me voor de voeten komt.”

De boom der kennis

Over grote vragen gaan haar films inderdaad. In Coma (1993) wil een levensmoede man van tweeënveertig dood. Hij overleeft de sprong vanaf het dak van een flat, is lichamelijk een wrak, heeft zijn geheugen verloren. In het ziekenhuis revalideert hij, en keren geleidelijk zijn herinneringen terug, die hij herwint op het lege terrein van zijn verleden. Eerst wilde hij dood, nu wil hij weer leven. Maar aan het slot van de film komt hij tot een verpletterend inzicht. Daarom moet hij onvermijdelijk, alsof het noodlot hem drijft, opnieuw de dood tegemoet. Aan Coma gaat als motto vooraf het bijbelcitaat: “Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.”

Voor Paula van der Oest vormen deze onheilspellende woorden uit de bijbel een belangrijke inspiratiebron, juist omdat de mens de neiging niet kan onderdrukken te zoeken naar het waarom van alles. Van der Oest: “Achilles, zoals de koerier in de titel van de film heet, is onsterfelijk op de manier waarop hij zich koning van de stad waant, er doorheen snerpend op zijn brommer. Maar hij heeft een zwakke plek: hij denkt na over de zin van het leven. Dat maakt hem kwetsbaar en tegelijkertijd ongeschikt voor zijn baantje. Een koerier moet niet denken, hij moet in de kortst mogelijke tijd zoveel mogelijk pakjes bezorgen. Ook André (gespeeld door Theu Boermans) in Coma is rond zijn veertigste hevig gaan nadenken over het bestaan. Langzaam verwerft hij in het ziekenhuis weer kennis, weer de taal, hij ontdekt ook de leugen van de taal. Hierom draait het bijbelcitaat: zodra je naar de zin van het leven begint te vragen, is het alsof je je eigen ondergang aan het voorbereiden bent. Net of je niet naar de zin van het leven zou mogen vragen. Dan heb je de onschuld verloren. Met alle desastreuze gevolgen van dien.”

De beide films eindigen met de dood van de hoofdpersoon: dat is niet bepaald een opwekkend vooruitzicht voor wie zich de grote levensvragen gaat stellen.

Schuilt er dan toch zoveel waarheid in die woorden uit de bijbel? Dat het dus beter is nièt na te denken? Paula van der Oest: “Misschien is dat waar. Dat de beide hoofdpersonen doodgaan besefte ik pas toen bleek dat beide films in een programma terecht zouden komen. Ik hoop maar niet dat het te zwaar overkomt allemaal... Want dat is niet mijn bedoeling. Wie doodgaat, die wordt opgenomen in het grote geheel van de eeuwigheid, in de oneindigheid. Dat klinkt toch niet te zwaar? In beide gevallen vond ik het idee voor de film bij toeval: voor Achilles en het zebrapad in een tijdschrift en voor Coma in een krantebericht. Dat bericht heb ik nog altijd bewaard, hier.” Uit haar portemonnee haalt ze een snipper krant. Ja, daar staat het verhaal van Coma. “Mijn manier van werken om tot ideeën te komen,” vervolgt ze, “is observeren. Ik kijk om me heen, luister gesprekken af en sla mensen gade in restaurants. Ik vraag me niet af of ze gelukkig of ongelukkig zijn, ik denk dat de meesten ongelukkig zijn. Eerder wil ik weten in welke samenstelling ze daar zitten; wie hoort bij wie en hoe is hun verhouding. Zonder die onophoudelijke verbazing zou ik geen gedachten meer hebben, geen invallen krijgen voor mijn films. Mijn volgende werk, een singleplay voor de televisie, gaat over een verhaal dat mijn moeder me een keer vertelde. Ook werk ik aan mijn eerste speelfilm, Jauna Mate (De nieuwe moeder, KF).”

Excuusbloemen

Er komen in Achilles en het zebrapad ontroerende passages voor over de onmacht te leven en het verlangen deel uit te maken van een groter geheel. Zo zegt Hank de koerier tegen de voorzitter van de wedstrijd in het ongelukkigste bewustzijn: “Ik ben velen tegelijk en ik ben niemand. Ik weet niets van de mensen, van het leven. Ik val in duizend stukken uiteen.” En later: “Ik wil een geheel vormen met iets, met iemand anders. Ik wil leren de stad lief te hebben.” In de tweede helft van de film komt Hank inderdaad tot het inzicht dat hij Amsterdam moet leren liefhebben.

Filmisch verbeeldt Paula van der Oest dit besef door hem heel langzaam langs de plaatsen te rijden waar hij eerst blindelings langs jakkerde. Ineens ziet hij de schoonheid van de stad, maar ook haar bizarre eigenschappen: de reeks borden met 'uitverkoop' erop, de fleurige kerstetalages die voor wie eenzaam is nog eenzamer maken. Een vrouw met een kinderwagen heeft hem tot dit inzicht gebracht. Want terwijl hij rücksichtslos een kruispunt nam, reed hij haar bijna ondersteboven. Na dit incident is hij naar haar op zoek gegaan.

Maar hoe kon hij haar terugvinden? Door, op aanraden van zijn moeder, opnieuw hetzelfde traject af te leggen maar dan langzaam. Dat doet zij ook altijd als ze haar leesbril kwijt is. Bij een bloemist vraagt hij om 'excuusbloemen'. De man antwoordt met fijn gevoel voor humor: “Met rozen zit je altijd goed.”

Hank neemt nu de tijd een kopje koffie te drinken bij een oude man, waar hij de dag te voren een pakje af moest leveren; hij gaat in op de avances van een jonge vrouw, bij wie hij een pakje moet bezorgen en die hem binnen vraagt. Ze bedrijven de liefde. Daarna speelt ze Bach voor hem, een deel uit de 'Italienische Suite'. Hij is kapot van de verstilde schoonheid van de muziek. Voor zijn zenuwslopende haastwerk deugt hij allang niet meer. Liefde en de kunst, muziek, hebben zich aan hem geopenbaard.

Uiteindelijk lijkt Hank de oplossing te hebben gevonden voor zijn problemen met het bestaan, dank zij de jonge moeder en haar kind. Hij vindt haar terug vlak bij het kruispunt waar hij haar bijna aanreed. Verliefd, schuchter zitten ze op een bankje in pril zonlicht. Hij geeft haar de bloemen, wiegt met haar het wagentje. Toch kan hij het niet laten haar te vragen waarom 'een kopje een kopje' heet, waarom de dingen zijn zoals ze zijn. De vrouw antwoordt dat ze daarover niet nadenkt. “Zij heeft geen denkproblemen,” zegt Paula van der Oest, “zij is simpelweg de vrouw die het leven voortbrengt. Met dat kindje samen in het park vormt zij de eenheid die Hank zoekt. Hij wil met iemand, met iets een geheel vormen. Met de jonge vrouw in het park lukt dat, hij beleeft het grootse moment van geluk. Na afscheid van haar genomen te hebben loopt hij achteruit en alles ziend, niet zoals vroeger vooruit kijkend en blind voor alles, over hetzelfde kruispunt van de Amsterdamse Plantage Middenlaan waar hij haar bijna aanreed. Hij zwaait naar haar, roept dat hij de stad wil leren liefhebben. Dan is er ineens die tram, die hem opneemt in de eeuwigheid, het grote geheel.”

    • Kester Freriks