Mythische mengbeker

Gertrude Starink: De weg naar Egypte, een passage 1985-1993. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 42 blz. Prijs ƒ 27,50

De weg naar Egypte is de derde dichtbundel van Gertrude Starink. Haar eerste twee poëzie-uitgaven droegen diezelfde titel, maar hadden andere ondertitels: Twintig passages 1970-1977 en Zeventien passages 1977-1985. Aan die zevenentwintig passages is nu één langere toegevoegd, geschreven tussen 1985 en 1993.

Is er een andere Nederlandse dichter die zo conceptueel hecht en gericht aan een oeuvre bouwt? Starinks poëzie is niet alleen in verstechnische zin constant - want rigoureus metrisch - maar ook wat de inhoud betreft trouw aan zichzelf. Een probleem is echter dat die inhoud zich niet in een definitie laat vatten. Starink schrijft visionaire, droomachtige verzen vol mythische elementen. Maar aan welke mythologie zijn die elementen ontleend?

Niet uitsluitend aan de Egyptische. Namen als Isos (gelijke) en Soter (redder) verwijzen naar de Griekse wereld, en er zijn ook reminiscenties aan Keltische mythen - wat niet verwonderlijk mag heten in het oeuvre van een dichter die in Cornwall woont. Voor de lezer is de inhoud van deze mythische mengbeker echter een delicate consumptie. Starink beschrijft zo'n hermetische droomwereld, dat het moeizaam genieten is. Maar tegelijkertijd is haar taal zo bezwerend verleidelijk dat je wel verder moet lezen.

Starinks nieuwe bundel vertelt het verhaal van een 'helleveeg' die zingend op haar klip over het lot van passerende zeelui beschikt. Het eerste vers zet al dwingend, onontkoombaar in: ik heb het huis gevonden op de klif / twee ramen heeft het een aan elke kant / ik kan de zee zien links en rechts het land / geen sterveling komt ongemerkt hierheen // wie hier naar toe komt komt voor mij alleen / ik houd de oude afspraak met de wind / ik voed het vuur met wrakhout dat ik vind / twee vuren brand ik een aan elke kant. In een even dwingende metriek volgt de mythe van de 'ik' en een door haar bemachtigde drenkeling, die ze Blankzeil noemt. Het is een intrigerend verhaal, dat zich wervelend in zang en tegenzang voltrekt. Maar de eenvoudige taal waarin het verteld wordt is even verraderlijk als de raadsels van Pythia en Sfinx. Als lezer heb je maar twee mogelijkheden: je blijft buiten de magische cirkel, of je tuint erin. Wie schrijft nu eindelijk eens het essay dat een breed poëziepubliek duidelijk maakt hoe groot het meesterschap van Starink is?

    • Arie van den Berg