Hoe mooi blies de zeewind

De rebètika-liederen ontleenden hun waarde mede aan de goede, indringende teksten, al bleven de vervaardigers daarvan vaak in de anonimiteit. Dit werd anders na de periode van dit genre muziek, die rondom 1960 ten einde loopt. Het was geen wonder dat de componisten die toen aan bod kwamen teruggrepen op reeds bestaande teksten van grote, 'erkende' dichters.

De man die op dit idee kwam was niet, zoals dikwijls wordt aangenomen, Mikis Theodorakis maar een nu zowat vergeten componist, Spílios Mendís. Hij ontdekte dat sommige teksten van Jannis Ritsos gebruikt konden worden voor liederen en liedjes. Hij koos de meer simpele verzen, zoals De IJsman, “kleine witte tempel voor de kleinen van de buurt”. Het liedje, gezongen door Jovanna, maakte korte tijd furore maar wordt nu, merkwaardigerwijze, nooit meer gehoord.

Kort daarop kwam Thedorakis, die het breder aanpakte. Ritsos' Epitaphios, een lang gedicht, half episch half elegisch, een dodenzang van een moeder op een bij een staking neergeschoten arbeider, gebruikte hij voor acht liederen die allengs - niet meteen - gemeengoed werden bij alle lagen van het Griekse volk. Dat kwam mede doordat hij nog een tweede boude stap deed: hij greep bij deze liederen terug op rebètika-rythmen en -instrumentatie, liet de grote volkszanger Bithikótsis zingen en de bouzouki-virtuoos Chiótis begeleiden. Een andere, ook zeer fraaie versie, die Chatzidakis gelijktijdig liet maken met Nana Mouschoury als zangeres, bleef nagenoeg onbekend.

Nu was het hek van de dam. Theodorakis en andere componisten grepen naar de Nobelprijswinnaars Seferis en Elytis, naar de negentiende-eeuwse aartsvader Solomós, naar Palamás, Kavadías en Karyotákis, naar Lorca en Neruda, en zelfs naar de archaïsche Sappho. Alleen Kaváfis, die moeilijk zingbaar bleek, bleef vrijwel ongemoeid.

De dichters bereikten de taveerne. Dankzij Theodorakis kent heel Griekenland Seferis' vers Negatie, waarvan de tekst toch niet zo makkelijk is: Aan het geheime strand / wit als een duif / hadden we dorst in de middag / maar het water was brak / In het blonde zand / schreven we haar naam / hoe mooi blies de zeewind / en het schrift werd uitgewist / Met welk een hart / met welk een adem / welk een verlangen welk een pathos / namen we ons leven - fout / en we veranderden van leven.

Dit lied is nog onlangs, bij Theodorakis' 70ste verjaardag, in een marmeren stadion, als een soort sluitstuk van een vier uur durend concert, meegezongen door zo'n 50.000 mensen, onder wie heel wat politici die zelf de nodige fouten hadden gemaakt. Zoiets is een grootse ervaring, waarbij men terecht denkt: dit kan alleen in Griekenland.

Natuurlijk worden er ook wel bezwaren tegen opgeworpen. Het zou de dichtkunst dichter bij het volk brengen - maar in de meeste gevallen gaat het om flarden van gedichten waarvan de rest onbekend blijft. Bithikotsis en heel het volk zingen, dankzij Theodorakis, enkele fragmenten van Elytis' Axion Esti, maar grijpen de Grieken daardoor eerder naar de hele bundel om ook de rest te lezen? Ik geloof het niet.

Men kan het, dunkt me, beter zo stellen, dat de Grieken 'uit zichzelf' al een heel dichterlijk en taalgevoelig volk zijn - tallozen hunner dichten zelf. Daardoor spreken dichtregels, ook moeilijke, hen snel aan. Ze staan open voor associatie en atmosfeer. Als er dan ook nog mooie melodieën bijkomen, is het bekeken - die helpen hen de tekst te onthouden.

De dichters zelf moeten wel eens hoofdschuddend hebben kennisgenomen van wat componisten van hun scheppingen maakten. Het is bekend dat Ritsos aanvankelijk bezwaren had tegen de wijze waarop Theodorakis zijn gedichten verwerkte. In een latere fase, en waarschijnlijk op sleeptouw genomen door 'het volk', heeft hij er zich bij aangesloten, en tijdens de kolonelsjunta heeft hij, gevangen in een kamp op Leros, zelfs versjes geschreven, de 'Achttien Liedjes uit het Bittere Vaderland', die bestemd waren op muziek te worden gezet door de grote componist. Zo werd hij toch nog tekstschrijver. De prachtige cyclus is in 1972 in de Albert Hall ten doop gehouden.

Theodorakis zelf lag niet wakker van de vraag hoe de dichters op zijn liederen zouden reageren. Korttevoren was ik in Parijs getuige geweest van het opnemen van vier nieuwe liederen op tekst van Seferis. Het laatste, 'Nog even', gaat als volgt: Nog even / en we zullen de amandelen zien bloeien / het marmer zien glinsteren in de zon / de zee zien golven / nog even / en we dragen het hoofd wat hoger.

Seferis bedoelde het waarschijnlijk als een verstilde mijmering, maar Theodorakis, met de junta in zijn achterhoofd, maakte er een luide, enthousiasmerende climax van. Nog altijd doet het lied dienst als uitsmijter bij zijn concerten. Een meer ingetogen versie van Markopoulos, die mijn voorkeur heeft, is onbekend gebleven.

Maar nooit zal ik vergeten hoe, vlak nadat Maria Farandouri het lied had ingezongen, Theodorakis mij lachend, en vergenoegd omdat de eerste opname meteen was gelukt, toevoegde: “Als Seferis dit hoort, krijgt hij een beroerte.” Een jaar later stierf de dichter in Athene, zonder het lied te hebben gehoord.

    • Frans van Hasselt