Het paradijs is de familie; Suikerzoete lofzang op het gezinsleven van Carla Bogaards

Carla Bogaards: Eigen vlees en bloed. Uitg. Meulenhoff, 254 blz. Prijs ƒ 34,90

De vrouwen in Carla Bogaards nieuwe roman dragen ongebruikelijke namen: Astrid-Meike, Emma-Rosa, Ilse Lila. De ik-figuur heet Donna-Macha, wat een passende naam voor een androgyne figuur zou kunnen zijn, iemand die het vrouwelijke en manlijke in zich verenigt. Maar het personage Donna-Macha heeft niets androgyns. Zij is typisch een vrouwtje, een cliché-vrouwtje zelfs: afhankelijk, hartstochtelijk, intuïtief, lichtelijk infantiel en in het diepst van haar wezen moederdier. De naam, met de o- en a-klanken van de naam van de schrijfster, kan een hint zijn van Carla Bogaards dat haar boek een geromantiseerde autobiografie is.

Bogaards, begonnen als dichteres, debuteerde als prozaschrijfster met de novelle Meisjesgenade over de incestueuze liefde van een meisje voor haar oudere broer. De titel van haar tweede roman, Eigen vlees en bloed, suggereert een zelfde thematiek, maar dit boek is aanzienlijk onschuldiger. Het is gewijd aan de zaligmakende en onvervangbare liefde voor het eigen gezin, die van kinderen voor hun ouders en vice versa en die van de kinderen onderling.

Er is één kenmerkende overeenkomst met Meisjesgenade: ook al is Eigen vlees en bloed omvangrijker, het wil maar niet uitgroeien tot een echte roman. Er is maar een hoofdpersoon, Donna-Macha, en hoewel zij vanaf haar kindertijd tot aan haar menopauze wordt beschreven, blijft zij van het begin tot het einde het naïeve kindvrouwtje dat bang is verstoten te worden uit het paradijs, de familieclan. De beschrijving van deze godvrezende, in-burgerlijke en zorgzame familie die onderhuids zo rot is als een mispel, lijkt geïnspireerd op het Haagse geslacht van Couperus' Kleine zielen, maar Bogaards is er niet in geslaagd de zielen tot leven te wekken. Haar poging de gezinsleden, die zo'n verstrekkende invloed op de ik-figuur hebben, door middel van brieffragmenten gestalte te geven, sorteert geen effect. Alle brieven, of ze nu van de vader, de moeder, de broers, de zussen of Donna-Macha zelf afkomstig zijn, hebben dezelfde stijl, waardoor nauwelijks is na te gaan wie aan het woord is. En dit is niet de enige strcturele zwakte van deze suikerzoete lofzang op het gezinsleven.

Schade en schande - twee huwelijken en een relatie met een wat al te moderne en vrijpostige minnaar - maken de hardleerse Donna-Macha duidelijk dat de liefde van bloedverwanten boven de seksuele liefde gaat. Op liefdesrelaties die niet lijken op een warme, in wezen onschuldige broer-zus verhouding heeft de ik-figuur het hoe dan ook niet begrepen. Het ware geluk vindt ze als ze, als alleenstaande moeder, haar eigen familieclan heeft opgebouwd: met z'n allen tegen de rest, for better and for worse, enzovoorts. Voor zover het de weemakende boodschap behelst dat er niets boven het gezin gaat, is het boek een draak, temeer daar de literaire kwaliteiten beperkt blijven tot enkele mooie sfeerbeelden.

Op een ander niveau, min of meer terloops en in elk geval aanzienlijk minder larmoyant dan de lofzang op het Hollandse gezinsleven, wordt echter een keerzijde belicht. De lofzang op de clan verkeert dan in een beschrijving van de complete ontreddering die het verlies van verwanten in het gemoed van nabestaanden teweeg kan brengen. Bogaards blijkt op haar best in het beschrijven van rouw, een gevoel dat ze integer en subtiel relativeert. Niet de liefde voor eigen vlees en bloed is in deze passages overheersend, maar de gekmakende angst voor het verlies ervan.

    • Elsbeth Etty