Het begrip eeuwige schoonheid is kolder; Directeur Frans Haks over zeventien jaar Groninger Museum

Op de eerste verjaardag van het nieuwe gebouw van het Groninger Museum, op 28 oktober, vertrekt directeur Frans Haks. Hij blikt terug op zijn omstreden directeurschap, zijn collectiebeleid en het gebouw van Mendini dat er ondanks verzet toch kwam: “Ik heb ervoor gekozen me als een furie te gedragen.”

Op zondag 29 oktober worden in het Groninger Museum tal van activiteiten georganiseerd, waaronder een speciale rondleiding door de tentoonstelling van hedendaagse Aboriginal-kunst. Ter gelegenheid van het vertrek van Haks is de expositie Highlights of the Eighties and Nineties (een keuze uit de collectie) samengesteld. Museumeiland 1. T/m 4 febr. Di t/m zo 10-17u.

Het Groninger Museum is een bruidstaart in een plas chocoladesaus. Je zou het ook een sprookjeskasteel kunnen noemen, omgeven door een gracht en fel gekleurde slotmuren, waarin de kunst van Groningen zich samen met haar beheerders heeft teruggetrokken. Wanneer je als bezoeker het station uitloopt, de grauwe, brede straat oversteekt die spoorweg en museum van elkaar scheidt en de brug naar het museumeiland oploopt, ontstaat al snel het gevoel dat je aan de hand van het konijn uit Alice in Wonderland naar een andere wereld wordt meegevoerd. Een wereld waar wegen groen zijn, trappen blauw, muren rood of geel en waar de bewoners houden van kunstenaars als Jeff Koons, Mark Kostabi of Rhonda Zwillinger - kunstenaars die hun werk felgekleurd en heupwiegend op je laten afkomen om je snel en meedogenloos te verleiden.

Directeur Frans Haks (1938) heeft in het museum voor zichzelf een bescheiden ruimte gereserveerd: een kleine kamer recht boven de hoofdingang, die wordt gemarkeerd door een parmantig driehoekig balkonnetje dat boven de entree uitsteekt. De ruimte is sober, maar veelzeggend ingericht. Op de vloer ligt een felrood tapijt van de Franse modeontwerper Gaultier, waarop silhouetten van feestvierders te zien zijn. Daarop staan een glazen tafel en stoelen van Alessandro Mendini, de architect die ook het museum ontwierp. Aan de muren van de kamer hangt in een hoekje één kunstwerk, een afbeelding van een vrouw met zilvergekleurd haar en een zwart masker voor haar ogen, een foto van Inez van Lamsweerde, die eerder op de voorkant van het tijdschrift Man stond. “Ik wil een kunstwerk een paar weken om me heen hebben wanneer ik van plan ben het voor het museum te kopen,” zegt Haks. “Dan merk ik of ik het kan verdragen en of het de aankoop waard is. Daarna moeten het ook onmiddellijk weer weg, want als ik een werk te lang om me heen heb wordt het behang en daar heb ik een hekel aan.”

Na een zeventienjarig directoraat van het Groninger Museum gaat Haks volgende week met 'pensioen'. Hij stopt, heeft er genoeg van en dat gevoel lijkt hij te delen met zijn werkgever, de gemeente Groningen. De relatie tussen Haks en de gemeente is al een aantal jaren problematisch. De eigenzinnige en af en toe recalcitrante houding van de museumdirecteur wekte in toenemende mate irritatie bij de Groningse ambtenaren. Zo zou Haks te weinig overleggen met zijn conservatoren, zou hij de stadscollectie en de collectie archeologie verwaarlozen, en ook zijn voorkeur voor 'low-culture'-kunst als videoclips en reclame stuitte op nogal wat bezwaren.

Die problemen werden nog versterkt toen Haks zo'n zeven jaar geleden het ontwerp voor het nieuwe Groninger Museum presenteerde, dat gebouwd kon worden door een gift van 25 miljoen gulden van de Gasunie. Zowel de locatie van het museum - het ligt midden in het kanaal voor het station - als het ontwerp dat Mendini maakte in samenwerking met onder anderen Philippe Starck en Coop Himmelb(l)au, riep door het onconventionele kleurgebruik en de chaotische dakconstructie veel boosheid op. Haks zette zijn plannen echter door en een jaar geleden kon het museum geopend worden - tot enthousiasme van het publiek: het afgelopen jaar trok het 400.000 bezoekers.

Samenwonen

De relatie tussen Groningen en Haks was al definitief op de klippen gelopen toen de gemeente Haks in 1993 aanklaagde wegens heling en valsheid in geschrifte. De directeur zou heimelijk samenwonen, waardoor zijn vriend onrechtmatig een uitkering zou krijgen. Na een aanvankelijke veroordeling werd Haks in maart 1994 in hoger beroep vrijgesproken. “De gemeente heeft me twee jaar geleden al gedwongen om op te stappen,” zegt Haks. “Ik heb dat contract toen getekend, maar achteraf had ik het gevoel dat dat onder dwang was gebeurd, omdat ik net was veroordeeld. Ik heb mijn advocaat toen gevraagd of dat contract nog open te breken was. Toen dat niet mogelijk bleek heb ik gezegd: ik wil alleen gaan als ik betaald word tot mijn laatste snik. Daar zijn ze mee akkoord gegaan en nu ben ik dus officieel 'adviseur van de gemeente Groningen' - met behoud van salaris. Ik vertrek op 28 oktober, de eerste verjaardag van dit gebouw; een mooie dag om afscheid te nemen.”

Haks' reputatie is niet alleen in Groningen omstreden: hij geldt al jaren als de meest controversiële museumdirecteur van Nederland. Dat komt doordat hij van het aanvankelijk regionale Groninger Museum een instelling van nationaal, misschien zelfs internationaal belang heeft weten te maken. Dat deed hij door een collectie op te bouwen die sterk tegenstrijdige reacties oproept. Haks heeft een voorkeur voor kunst die je 'nadrukkelijk aanwezig' zou kunnen noemen - beelden en schilderijen van internationaal bekende kunstenaars, vaak in felle kleuren uitgevoerd, die verwijzen naar massamedia. Tegelijkertijd was Haks de eerste Nederlandse museumdirecteur die Italianen als Cucchi en Clemente naar Nederland haalde; hetzelfde gold voor schilders als Dokoupil en Dahn en voor de jonge Fransen van de 'Figuration Libre'. Liefhebbers van zijn werkwijze prijzen dan ook zijn onafhankelijkheid en neus voor nieuwe ontwikkelingen, tegenstanders noemen zijn beleid oppervlakkig en zijn aankopen onverantwoord. Zoals Wim Crouwel, voormalig directeur van Museum Boymans Van Beuningen in Rotterdam ooit opmerkte: 'Als Frans Haks bij het Groninger Museum vertrekt kan de hele collectie meteen met de vuilnis mee.'

Zelf heeft Haks die tegendraadsheid altijd gekoesterd. “Ik denk dat het voor mensen van essentieel belang is dat ze hun ogen goed de kost geven. Anders sterven ze af, net zoals je handen afsterven als je die jaren niks te doen geeft. Ik vrees dat veel mensen al met afgestorven ogen leven. Het grootste deel van het publiek kan geen mug van een olifant onderscheiden, dus moet je in een museum met een beetje grof geschut komen, anders denken ze dat er niks staat. Kunst moet een zekere evidentie hebben.”

Heiligen

Als gelovig katholiek begon Frans Haks zijn museale carrière bij het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht, waar hij tentoonstellingen maakte over 'mooie katholieke thema's'. Langzaam begon hij zijn geloof te verliezen en juist op dat moment werd hij door de directie van het museum gevraagd een tentoonstelling met moderne kunst in te richten. Haks, zo goed als onbekend met het onderwerp, stemde toe, kreeg van de directie de vrije hand en begon zich al snel voor moderne kunst te interesseren. Dat bleek een doorbraak in zijn ontwikkeling; Haks vertrok als onderzoeker naar de universiteit van Utrecht, werkte mee aan Wim Beerens legendarische Sonsbeek buiten de perken en werd in 1978 tamelijk onverwacht benoemd tot directeur van het Groninger Museum. Al die tijd was Willem Sandberg, voormalig directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, zijn grote voorbeeld. “Je zou kunnen zeggen dat ik tot de moderne kunst bekeerd ben,” zegt Haks, “en dat Willem Sandberg mijn eerste heilige was. Het was me al snel duidelijk dat niemand zoveel te bieden had als hij. Ik was op zoek naar vastigheid en zekerheid, naar criteria voor goed aankoopbeleid of goed tentoonstellingsbeleid, en Sandberg was de enige die daarover in Nederland interessante visies had. Toch was ik het ook met hem lang niet altijd eens. Sandberg vond bijvoorbeeld dat een kunstenaar pas gekocht moest worden als zijn gedachtengoed helemaal was uitgekristalliseerd. Zo zei hij bijvoorbeeld altijd over Picasso dat je zijn blauwe en roze periode niet moest nemen, want dat waren 'kleur-experimenten'. Ook het kubistische werk was niet goed, want dat waren experimenten met de vorm. Picasso werd volgens Sandberg pas echt Picasso toen-ie het sociale engagement in zijn werk introduceerde, vanaf de Guernica ongeveer. En dus kocht Sandberg Vrouw met vishoed voor het Stedelijk, want die kwam uit de oorlog. Tegelijkertijd liet hij twee kubistische Picasso's schieten, die hij samen voor iets van 7000 gulden had kunnen kopen - dat waren vormexperimenten.”

In hoeverre heeft Sandberg uw beleid in het Groninger Museum beïnvloed?

“Net als Sandberg heb ik het altijd belangrijk gevonden om verwarring te stichten in het museum. Degene die in het Groninger Museum wat wil opsteken over moderne kunst moet in principe van een koude kermis thuiskomen. Dat heb ik van Sandberg gepikt: die zei altijd dat hij vond dat mensen pas over kunst moesten gaan nadenken als ze het museum alweer verlaten hadden. Als ik bijvoorbeeld een kast van Sotsass, een vloerkleed van Lichtenstein en een vaas van Mendini bij elkaar zet dan hoop ik mensen daarmee in verwarring te brengen over wat kunst is; al diegenen die denken dat ze in een meubelzaak terecht zijn gekomen op het verkeerde been te zetten.”

Hoe bepaalt u welke kunstenaars u aankoopt en exposeert?

“Ik zal een voorbeeld geven van toen ik hier net in Groningen begon, zeventien jaar geleden. Ik raakte steeds meer uitgekeken op stromingen als conceptuele kunst en minimal art. Het merkwaardige was dat ik die afkeer ook zag ontstaan bij allerlei galeries die ik leuk vond: Paul Maenz in Keulen, Sperone in Rome en Art & Project in Amsterdam. Toen zag ik bij Art & Project Fransesco Clemente en plotseling doken bij al die galerieën dat soort lieden op. Toen begont het voor mij interessant te worden: als het er intrigerend uitziet en ik er ook nog eens m'n nek over breek. Aanvankelijk dacht ik bij de Italianen: 'heremejezus wat een traditioneel gedoe, het lijkt wel of er weer echt geschilderd gaat worden - je kunt het zelfs herkennen'. Daar had ik nogal wat moeite mee, maar na een tijdje realiseerde ik me dat dit belangrijke kunst was, die alleen niet strookte met mijn verwachtingspatroon. Dan vind ik dat ik dat patroon moet bijstellen. Ik ben blij dat ik dat gedaan heb, want anders had ik tot op de dag van vandaag met de opbouw van mijn collectie niet verder gekund. Kunst bestaat voor mij bij de gratie van verandering. En het blijft leuk als het je confronteert met zaken waardoor je je eigen criteria moet bijstellen.”

Verveelt u zich zo snel?

“Ja, en dat is misschien wel mijn belangrijkste drijfveer. Ik verveel mezelf ontzettend snel; vind mezelf ook nogal saai. Ik heb behoefte aan mensen die iets anders doen dan ik. Ik wil blijven zoeken.”

Wordt die snelle verveling op den duur ook niet vervelend?

“Op den duur word je natuurlijk handig. Dat zie je aan Rudi Fuchs: die vraagt vriendjes als Baselitz of Dibbets die doceren aan academies of ze nog interessante leerlingen hebben. Zo houdt-ie de jonge kunst bij. Ik zit zo niet in elkaar, ik zoek naar nieuwe dingen omdat ik daar een natuurlijke behoefte toe voel. En daar komt bij dat ik dingen zo gretig tot me neem dat ze nooit kunnen blijven. Dat had ik als kind al: op een gegeven moment vond ik bijvoorbeeld zwart-op-wit vreselijk lekker. Daar vrat ik me zo vol van dat ik het hart uit mijn lijf kotste en sindsdien heb ik het nooit meer gegeten. En zo is het ook met kunst: je vreet je vol tot je er genoeg van hebt en dan ga je verder.”

Hoe belangrijk is het dat kunst vernieuwend is?

“Ik ben altijd op zoek naar een tijdsbeeld. Ik zoek naar de kunst die ik typerend vind voor de tijd, waar je niet omheen kunt. Maar natuurlijk breek je je nek over van alles, en dan komt het op je eigen intuïtie aan - je moet goed aanvoelen wat de problematiek van een tijd is en welke kunstenaars daar op een interessante manier mee bezig zijn. Als je dat doet krijg je volgens mij ook automatisch de genieën te pakken - het genie is altijd bezig met zijn tijd.”

Is een genie trendgevoelig?

“Natuurlijk! Dat kan toch niet anders? Van een goed kunstwerk kun je bijna op het jaar af zien wanneer het gemaakt is. Dat is een noodzakelijk onderdeel van kwaliteit. Wanneer een kunstwerk niet binnen een heel kort tijdsbestek dateerbaar is kun je er vergif op nemen dat het een minder valide werk is, daar zal iedere kunsthistoricus mee moeten instemmen. Zo'n begrip als eeuwige schoonheid, dat vind ik absolute kolder. Er is toch niks dat werkelijk langer dan twintig jaar echt interessant blijft? Uiteindelijk heeft iedereen na zo'n tijd wat ik had met zwart-wit: je moet ervan braken. Daarom zijn depots ook zo heilzaam. Daar kun je nog eens wat werk in opbergen zodat je het een tijdje niet meer hoeft te zien.”

Maakt die drijfveer u niet bang voor het missen van belangrijke ontwikkelingen?

“Ach, je hebt altijd vooral spijt over dingen die je niet gedaan hebt. Keith Haring bijvoorbeeld, daar heb ik lang over getwijfeld, want ik vond zijn werk zo op Penck lijken. Tegen de tijd dat ik begreep hoe belangrijk die jongen was kostten zijn grote schilderijen al drie ton. Dus ik dacht: weet je wat, Haring gaat over massaproduktie en commercie, dus gaan wij ons met Harings massa-produkten bezig houden: posters, condoomdoosjes enzo. Een groot schilderij van Haring ontbreekt dus nu en daar heb ik vreselijke spijt van.

“Ik moet ook toegeven dat ik de laatste jaren dingen ben gaan missen - ik hield het allemaal niet zo goed meer bij. Toen acht jaar geleden tot de bouw van het nieuwe museum werd besloten ben ik uit alle commissies waar ik in zat gestapt. Ik wilde niks anders aan mijn hoofd hebben dan die bouw. Ook het rondreizen heb ik voor een groot deel opgegeven; daardoor heb ik van kunstenaars als Mike Kelley of Richard Prince het gevoel dat ik ze misschien gemist heb.

Was die bouw zo allesoverheersend?

“Op het moment dat de Gasunie besloot die donatie van 25 miljoen voor een nieuw museum te doen had ik een gesprek met de directeur die zei: 'ik wil dat jij met plannen komt en dat je het afmaakt'. Die verplichting heb ik toen op me genomen - en met graagte. Om alles goed te doen moest ik enorm veel vooronderzoek verrichten, want in museumbouw heerst de streng-classicistische Schinkel-traditie en daar wilde ik vanaf. Ik vond dat we ons als museum niet moesten specialiseren, maar alles moesten integreren in één gebouw endat we verschillende architecten moesten vragen voor de afzonderlijke delen. Daarbij was dan een hoofdarchitect nodig en dat moest bijna wel Mendini worden - hij was volgens mij de enige die zo'n klus aankon. Eerst hebben Mendini en ik toen lang gepraat en samen hebben we vervolgens een jaar genomen om ons te oriënteren, te reizen en andere musea te bekijken. Daarover bleken we opvallend eensgezind, zodat we tot het huidige ontwerp hebben kunnen komen. Maar toen kwamen de overtuigingsfase en de bouw - die fases waren nog veel lastiger. Zo duurde het meer dan een jaar voor we de gemeente en andere instanties ervan overtuigd hadden dat het echt zo moest. Ik werd daarbij constant voor de keuze gesteld: compromissen sluiten of me als een furie gedragen. Ik heb voor het laatste gekozen. Met compromissen kom je nergens. En dus heb ik mensen tegen me in het harnas gejaagd, mensen gebruuskeerd en mensen ontslagen - ze konden me wel schieten.”

Bent u daar uiteindelijk niet zelf het slachtoffer van geworden?

“Machiavelli had gelijk: tegenstanders, die moet je afmaken. Officieel gebeurt dat tegenwoordig niet meer, maar ondertussen gebeurt het dagelijks en dan heet het reorganiseren. Sandberg heeft eens tegen me gezegd: ga als directeur van een museum nooit langer dan vier dagen op vakantie en zorg dat je nooit langer dan een week weg bent, want als je dat wel doet worden alle poten onder je stoel weggezaagd - door de gemeente, het bestuur, je collega's; het maakt niet uit door wie. En inderdaad: collegialiteit bestaat niet, dat heb ik de laatste jaren wel gemerkt. Dat ik nu zo graag wil uitrusten, zo'n behoefte heb aan vakantie, komt vooral doordat ik jarenlang om me heen heb moeten turen of ik geen mes in mijn rug kreeg. Als ik dan tegen m'n arts zeg dat ik me zo moe voel zegt hij: 'het kan best eens zijn dat jij gewoon op bent'.”

Verwacht u dat uw opvolger in staat zal zijn uw beleid voort te zetten?

“Ik heb al besloten dat ik mijn opvolger niet ga inwerken. Dat lijkt me niet verstandig, die ga ik niet met mijn opvattingen lastig vallen. Maar ik denk wel eens na over het ergste dat er met het museum zou kunnen gebeuren. Dat is een beangstigend beeld: dat alle markante aankopen, zoals de beelden van Koons en de werken van Mendini in het depot zouden verdwijnen; dat alle zalen wit worden geverfd; dat de Coop-Himmelb(l)au-ruimte alleen nog maar voor tijdelijke tentoonstellingen wordt gebruikt; dat kortom alles wat nu karakteristiek is voor het museum teniet wordt gedaan. Dat zou toch wel het vreselijkste zijn dat dit museum kan overkomen - ik ga er dan maar even van uit dat ze het niet onmiddellijk na mijn vertrek zullen afbreken.”

    • Hans den Hartog Jager