Gezinspolitiek is voor de overheid een zoveelste 'mission impossible'

Waarom zou de overheid zich bemoeien met een instituut dat volgens allerlei sociologisch onderzoek heel aardig voor zichzelf kan zorgen? Het voorstel van het CDA om een speciale minister voor 'familiezaken' zadelt volgens Kees Versteegh de overheid op met een onmogelijke opgave. De 'verbrokkelde samenleving' is een onomkeerbaar gegeven. De overheid kan zich beter concentreren op klassieke taken als openbare voorzieningen en veiligheid.

I s er dan niemand die de ge zinspolitiek van het CDA on zin vindt? Nogal wat politici en columnisten hebben het idee de afgelopen weken luidkeels verwelkomd. Wie ontvoogd werd in de jaren zestig en nu ontgoocheld is over de afloop daarvan, ziet in de gezinspolitiek van de christen-democraten een mooie gelegenheid de verloedering van de jeugd en de morele verwildering in het algemeen tegen te gaan. “Toen de reacties loskwamen dacht ik: Heerma, bingo”, zo incasseerde de fractievoorzitter van het CDA afgelopen zaterdag zijn politieke winst.

Toch was het idee om een 'familieminister' aan te stellen een nogal merkwaardig voorstel van Heerma. Als anti-revolutionair is hij afkomstig uit een politieke traditie van wantrouwen jegens overheidsbemoeienis met maatschappelijke verbanden. 'Soevereiniteit in eigen kring', plegen ARP'ers dat te noemen. Heerma maakte niet duidelijk waarom een familie-minister zich zou moeten bemoeien met één van de intiemste instituten in de samenleving, dat bovendien volgens allerlei sociologisch onderzoek aardig voor zichzelf kan zorgen.

Zo verwacht het Centraal Bureau voor de Statistiek dat in 2010 nog steeds bijna driekwart van de volwassenen hun leven in gezelschap van familieleden doorbrengen. Slechts één op de zes gezinnen met kinderen valt uit elkaar. Het aantal één-ouder-gezinnen daalt. Uit ander onderzoek blijkt bovendien dat alleenstaanden die status nogal eens onvrijwillig dragen. Weduwen en weduwnaars of gescheiden ouders zijn niet per se symbolen van desintegratie, individualisme, laat staan van egocentrisme, begrippen die sommige christen-democraten nogal eens door elkaar halen.

Wetenschap en statistiek hebben echter zelden iets met politiek te maken. Heerma kon zijn geluk niet op toen minister Sorgdrager, nota bene lid van een partij die in dit soort kwesties diametraal tegenover het CDA staat, het voor zijn gezinspolitiek opnam. De bewindsvrouw van justitie zei te verwachten dat een betere opvoeding thuis een bijdrage zal leveren aan de bestrijding van de jeugdcriminaliteit, een prioriteit in haar laatste begroting. “Mijn ministerie is verantwoordelijk voor de bouw van gevangeniscellen en jeugdinrichtingen. Dus als het in het gezin misgaat, dan merk ik dat op mijn begroting”, aldus Sorgdrager zaterdag in Het Parool.

Natuurlijk weet Sorgdrager zelf ook wel dat de zaken niet zo eenvoudig liggen. Allerlei maatschappelijke invloeden buiten de invloedssfeer van vader of moeder (school, commercie, overheidsvoorzieningen, werkgelegenheid) beïnvloeden de ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit ten minste zo sterk. Mag een vader zijn zoon een draai om zijn oren geven zonder door een minister het idee aangepraat te krijgen dat hij daarmee een bijdrage levert aan de cellenproblematiek in 2010?

Ten slotte verwees Heerma ter rechtvaardiging van zijn pleidooi voor de instelling van een familieminister naar Duitsland, dat al een dergelijk bewindspersoon kent. De fractieleider van het CDA vergat er bij te vermelden dat de bevoegheden van de bewuste bewindspersoon niet al te groot zijn. Bovendien heeft de instelling van dit ambt niet kunnen voorkomen dat in kringen van liberale intellectuelen, zoals de socioloog R. Dahrendorf, regelmatig klachten opklinken over het gebrek aan saamhorigheid en gemeenschapszin in de samenleving.

Te vrezen valt dat christendemocraten en andere familiepolitici de overheid opzadelen met een zoveelste mission impossible. Heerma zei met zijn pleidooi voor versterking van het gezin “een stukje perspectief te bieden op die verbrokkelde samenleving, die desintegratie in de maatschappij”. Al eerder gingen bij het CDA en andere partijen immers stemmen op, de overheid meer ten strijde te laten trekken tegen het verval van normen en waarden. Even vaak verstomden die geluiden weer.

In 1991, bijvoorbeeld, voerden de toenmalige bewindslieden van onderwijs en justitie, Ritzen en Hirsch Ballin, een pleidooi voor meer gemeenschapszin en deugdzamer gedrag van de burger. “Er moet daarbij een goed voorbeeld worden gegeven”, zei Hirsch Ballin in deze krant, “een goede stijl in de manier van werken van politici en ambtenaren”. Nadat gebleken was dat ambtenaren van justitie en politie elkaar beoorloogden, criminele methoden gebruikten om criminele organisaties te lijf te gaan, en de IRT-affaire uitbrak die Hirsch Ballin tot aftreden dwong, is van een dergelijk pleidooi niet veel meer vernomen.

Binnen de PvdA is het deugdzaamheids-offensief van minister Ritzen inmiddels gestokt. Het vond hooguit een zwakke echo in het pleidooi van minister-president Kok voor meer 'wij-gevoel'. Fractieleider Wallage schetste echter een half jaar geleden in deze krant een beeld van de overheid dat opmerkelijk pragmatisch afstak bij Ritzens pleidooi van vier jaar geleden. “Ik verdedig een nieuwe overheid, een overheid die minder regelt en meer aanbesteedt en uitdaagt”, zei Wallage. “De overheid zal zich de komende decennia meer moeten opstellen als de grootste opdrachtgever van Nederland en minder als de grootste verdeler van Nederland.” Daarbij doelde Wallage onder meer op het aanleggen van infrastructurele werken en het investeren in allerlei openbare voorzieningen zoals politie, onderwijs en in technologisch beleid.

Waarschijnlijk sluit een dergelijk, minder moreel beladen programma beter aan bij de positie van de overheid aan de poort van de 21ste eeuw. De beste manier om de 'soevereine staat' - een wat in onbruik geraakte term - te begraven is de overheid te bedelven onder mooie voornemens om de gemeenschapszin te herstellen. De 'verbrokkelde samenleving' is een onomkeerbaar gegeven.

Vroeger stelden de naties hun burgers glorie, een imperium of de heerschappij van een bepaalde godsdienst in het vooruitzicht, zo schrijft de Amerikaanse politiek filosoof John Rawls in zijn boek Political Liberalism (1993). Maar de tijd is voorbij dat op Hegeliaanse wijze een hoger, absoluut doel voor de overheid valt te formuleren. Daarvoor zijn burgers van de geseculariseerde staat tezeer verdeeld geraakt over religieuze, filosofische en morele doctrines.

“Een goed geordende democratische maatschappij is noch een gemeenschap, noch een associatie”, schreef Rawls. Het streven naar het hoogste morele, filosofische of zelfs religieuze goed kan alleen nog in burgerbewegingen, verenigingen, kerken en andere maatschappelijke organisaties, door Rawls samengevat als de background culture. De staat is slechts een 'faire' bemiddelaar tussen de invloeden van die maatschappelijke instellingen en dient de vrijheid van de burger - in Nederland omschreven in onder meer artikel 1 van de Grondwet - te beschermen. Dit alles betreft “een kwestie van politieke rechtvaardigheid, niet van het hoogste goed”, aldus Rawls.

Deze taakverdeling hoeft geenszins de nekslag te betekenen voor een slagvaardige staat of voor het politieke discours. Twee weken geleden wijdde het Britse weekblad The Economist een bijlage aan 'De mythe van de machteloze staat'. Het blad constateerde dat ondanks alle retoriek over internationalisering en decentralisering de overheid nog steeds een stevige greep heeft op het economische leven. De publieke uitgaven in de Westerse landen zijn volgens het blad gemiddeld zelfs gestegen van 36 naar 40 procent van het nationaal produkt. Bovendien bestaat er tussen die staten een opmerkelijke variatie in het aandeel van die uitgaven in het nationaal produkt.

The Economist schrijft die verschillen onder meer toe aan verschillen van opvatting over de hoogte van het voorzieningenniveau, de mate van inkomensherverdeling en de te voeren industrie- en werkgelegenheidspolitiek. Daarmee zijn precies enkele zaken genoemd die nog vaak onderwerp zullen zijn van politiek debat. Hoe ver moet een overheid gaan bij de privatisering van één van haar kerntaken, de aanleg van wegen en spoorlijnen? Wat is de rol van de inspraak van de burger hierbij zonder dat de positie van Nederland als distributieland in gevaar komt? Hoe verhoudt zich de industriepolitiek tot het milieubeleid? Daarnaast zou de meest klassieke taak van de staat - bescherming en veiligheid van zijn burgers - het politieke debat moeten bepalen. Meer dan de bescherming van het gezin binnenshuis.

    • Kees Versteegh
    • Kees Versteegh is redacteur van NRC HANDELSBLAD