Getuigenis Schmitz en Nordholt over IRT diametraal

DEN HAAG, 20 OKT. Amsterdam en Haarlem staan nog steeds lijnrecht tegenover elkaar bij de afwikkeling van de IRT-affaire. Dat bleek uit de verhoren van de Amsterdamse korpschef E. Nordholt, gistermiddag, en oud-burgemeester E. Schmitz van Haarlem, die vanochtend voor de parlementaire enquêtecommissie verscheen.

Schmitz zei dat zij pas de laatste weken op de hoogte is geraakt van de opsporingsmethode die in haar eigen politiekorps is ontwikkeld. Dat de Haarlemse politie gebruikmaakte van informanten wist ze wel. Maar ze wist niet dat er duizenden kilo's softdrugs op de markt verdwenen, dat de IRT-informant miljoenen guldens mocht houden en dat de politie zelf zaken deed met crimineel geld. De conclusies van de commissie-Wierenga over de oorzaken van de ontbinding van het IRT-Noord-Holland/Utrecht staan volgens Schmitz niettemin “nog steeds voor honderd procent overeind”. Nordholt werd daarin als een van de hoofdschuldigen aangewezen. Schmitz zei dat zij er ook nu nog altijd van overtuigd is dat de “slechte verhoudingen” met Amsterdam ten grondslag lagen aan de affaire. De Amsterdamse korpschef op zijn beurt liet gistermiddag weinig heel van het rapport-Wierenga. Volgens Nordholt ligt het sinds het verschijnen in 1994 “als een splijtzwam op tafel”.

In antwoord op Nordholts stelling dat de enquêtecommissie niets kan veranderen aan “menselijk falen, slechte verhoudingen” zei de voormalige korpsbeheerder van de Haarlemse politie: “Als mensen hun verantwoordelijkheid niet nemen voor de goede samenwerking, voor de goede verhoudingen, dan gaan de zaken verder mis. Men had al in een veel vroeger stadium fundamenteel met elkaar moeten praten. Als de verhoudingen fout zijn moet je niet naar andere structuren zoeken. Dan moet je de mensen aanpakken en de verantwoordelijkheden invullen.”

Volgens Schmitz waren er al vanaf het eerste uur, eind jaren tachtig, “heel veel strubbelingen” met Amsterdam. “De medewerking aan het IRT ging niet van harte.” De plotselinge opheffing van het IRT was volgens haar alleen maar een illustratie daarvan. “Ik was buitengewoon boos toen ik dat hoorde. Ik dacht: Het is ze toch gelukt. Ik had het gevoel dat ik al die jaren voor niets had gewerkt.” Schmitz zelf was als voorzitter van de beheerscommissie van het IRT onder meer de eerste verantwoordelijke voor de personele en financiële zaken van het rechercheteam.

Schmitz was vanmorgen wel bereid het boetekleed aan te trekken. “Ik ben zeker medeverantwoordelijk, ja. Als men acties onderneemt die in mijn ogen zeer vergaand te ver gaan, ben je verantwoordelijk. Je moet als bestuurder met gedelegeerde bevoegdheden werken, en vertrouwen op die mensen. Dat heb ik nog steeds. Dat neemt niet weg dat er fouten zijn gemaakt. En die zullen in de toekomst ook worden gemaakt.” Zij noemde de Haarlemse hoofdcommissaris Straver “nog steeds een van de hoogstaande korpschefs in Nederland”.

Pag.3: