Een onbekende nis van het bestaan; De personages van Margriet de Moor denken als schrijvers

Margriet de Moor: Ik droom dus. Uitg. Contact, 197 blz. Prijs ƒ 29,90.

Wat maakt een mens tot schrijver?

'Jarenlang had ik gedacht enkel een lezer te zijn,' vertelt Margriet de Moor in een appendix bij Ik droom dus, haar nieuwe verhalenbundel, 'een lezer met een voorkeur voor zo dik mogelijke romans. Totdat op een dag dat lezen als het ware om een uitbreiding begon te vragen, om zijn andere ik, en ik in een stemming die ik niet anders kan omschrijven dan een combinatie van werklust en leegte in een ongebruikte kamer boven in het huis ging zitten.'

Het is een oud verhaal, in interviews heeft ze het meer verteld, en helemaal aannemelijk vond ik het nooit. Een schrijver is een man of vrouw met voorbedachte rade, met een plan, een thema, een getourmenteerde ziel desnoods en overborrelend gevoel. Was het maar waar dat je genoeg had aan een lege kamer en een lege stemming, vredig zitten op een open plek in je bestaan en dan maar wachten. Scheppen uit het niets, ex nihilo, dat krijgt alleen de Schepper zelf gedaan.

Maar nu de anekdote in de stroom van haar verhalen staat, in Ik droom dus, schiet ze plotseling in een verband. De Moor beschrijft een van haar dagen in die ongebruikte kamer, 1988 of '89. Grijze lucht, een raam waardoor ze uitkeek op een stille straat in een villawijk, en weer die leegte. Dat wil zeggen, 'tot het moment waarop er een verhuiswagen voor het huis tegenover het mijne stopte', want op dat moment vond ze de kiem voor het titelverhaal van dit boek. Een zekere Eva Duyf wordt na haar scheiding en verhuizing opgebeld door een oude overbuurman, die vertelt dat zijn vrouw een 'diepe sympathie' voor haar voelde. Of ze niet eens langs wil komen. Ze begrijpt het niet, ze kent het echtpaar amper, maar ze gaat.

Dat is een cruciaal besluit - en bij De Moor een oud motief. Wat haar figuren ook gebeurt, wat ze ook doen, de eerste stap is steevast dat ze door iets nietigs uit hun leven worden weggetild en binnenstappen in een onbekende nis van het bestaan. Ze laten het verbazende nieuwe daar over zich heen komen, passief vaak, vrijwel blanco - en ze doen daarmee in wezen niet veel anders dan de schrijfster boven hun hoofd. Ze maken zich leeg.

Aangekomen bij haar oude overbuur hoort Eva Duyf waar ze de onvermoede sympathie van diens vrouw aan te danken heeft. Vanuit een lege zolderkamer blijkt het mensje haar destijds van dag tot dag bespied te hebben. Haar gezin, een mooie jurk, een tuinfeest, heel haar leven aan de overkant werd nauwgezet geregistreerd - en vreemd genoeg geïnterpreteerd als een bewijs dat ze volmaakt en krasloos gelukkig was. Dat stond voorop, dat droombeeld van geluk, en toen het op een dag niet waar bleek, toen er een verhuiswagen voorreed die de halve boedel meenam, toen werd duidelijk hoeveel die droom betekende. Het mensje had het niet lang meer gemaakt.

In dit soort raadselscènes is De Moor onovertroffen. Ze laat haar helden uit de rails van hun gewone leven lopen om ze uit te leveren aan situaties waar hun alledaags verstand geen raad mee weet. De feiten voor hun ogen gaan op in een zee van mogelijkheden, alles kan van alles betekenen. Ze moeten uit op onderzoek, ze worden aangesproken op hun psychologisch inzicht, maar het is op voorhand al duidelijk dat psychologische verklaringen te kort zullen schieten. Dat is het dilemma waar De Moor hen vroeg of laat voor stelt: hoe wordt een wereld die niet meer wil sluiten toch weer sluitend?

Terwijl haar overbuurman praat begint Eva Duyf zich te verplaatsen in diens ondoorgrondelijke echtgenote. Bij dit raam moet het mensje gezeten hebben, hoofd op haar handen, denkend 'dat het haar zorg was om dat zaakje aan de overkant overeind te houden'. Als de overbuurman even stilvalt kijkt ze onwillekeurig ook zelf naar de overkant, ziet in de keuken van haar oude huis een vrouw staan, een bekende, zijzelf, daar staat ze weer, ze straalt, ze is gelukkig. Ze hervindt haar greep op de gebeurtenissen, voor een deel althans, niet door ze te begrijpen maar door ze te verbeelden. Ze bedwingt de raadsels door ze plaats te geven in een verhaal.

Ze doet als een schrijver.

Dat is de beslissende ontdekking voor De Moors figuren, keer op keer in deze bundel. Een vrouw herkent in een kapsalon een andere vrouw maar weet niet goed waarvan en vult de leemte met een curieuze stroom vermoedens en verzinsels. Een jongen trekt in bij een oudere vrouw, een onpeilbare liefde, en raakt in de ban van de gedachte dat hij haar als een beroepsversierder financieel zou kunnen uitkleden. Twee zusjes (die tot zes keer toe in de verhalen opduiken) zien een knappe werkman van een dak vallen, rennen op zijn roerloze lichaam af en constateren met verliefde ogen dat het net een droom, nee een verhaal is. Telkens weer blijkt dat de werkelijkheid van de personages niet door kennis wordt gevormd maar door verbeelding.

De alomtegenwoordigheid van dat thema doet vermoeden dat De Moor al jaren voor ze het daadwerkelijk probeerde leefde met een wereldbeeld dat haar de kant op duwde van het schrijverschap. Een verhuiswagen voor een deur, zo'n alledaags mysterie vraagt voor haar vanzelf om een verhaal. 'Na een week,' vertelt ze over haar eerste dagen in haar lege kamer, 'had ik ondervonden dat een tamelijk willekeurig gekozen onderwerp louter door mijn aandacht van obsessief belang was geworden.'

Het lijkt me veelbetekend dat ze die achtergronden van haar werk nu vrij geeft. De verhalen in Ik droom dus, vijftien in totaal, zijn in de zeven jaar na haar debuutverhalen Op de rug gezien geschreven, tussen grotere projecten door, en maken bij elkaar genomen de balans op van die tijd. Ze zijn subtiel geschreven, onnadrukkelijk en soepel, nooit gewild, haast altijd sfeervol en soms meesterlijk - maar ze zijn af, gevaarlijk af. Een schrijver die zijn werk doorgrondt met het gemak dat hier getoond wordt, zegt een oude paradox, verliest de noodzaak tot schrijven. Hoe dus voort? Dat lijkt me de cliffhanger waar deze bundel mee eindigt: òf De Moor heeft de raadsels van haar werk op orde, òf ze wordt er in haar kamer juist weer door omzwermd en broedt op iets nieuws.

Ik reken op het laatste.

UIT: MARGRIET DE MOOR, IK DROOM DUS

In het kamertje met uitzicht op de straat zaten wij tegenover elkaar aan een tafel die pal tegen het raam was geschoven. Niets in het vertrek wees op enige huiselijkheid. Tafel. Twee stoelen. Kastje met lege planken naast de deur. Ik moest denken aan de armzalige wachtruimte van een clandestiene genezer, van een dorpskapelaan.

'Vertel me over uw vrouw,' zei ik.

Maar hij begon over het feest dat wij voor familie en vrienden hadden aangericht toen mijn man een nieuwe zaak in Utrecht opende.

'Daar had u enorm geluk mee,' zei hij op bewogen toon, 'dat het half april al zulk mooi weer was. Uw kinderen zetten tafels buiten. Uw man installeerde een bierpomp.'

Ik keek hem sprakeloos aan.

Toen vertelde hij me dat hij zich dat feest zo goed herinnerde omdat zijn vrouw die dag weer tot leven was gekomen. Eerst had hij er niets van begrepen. Hij kwam thuis van zijn werk - het was zondag, maar hij had dienst - en toen stond ze in de keuken vlees met uien te bakken.

'Er was een feest aan de overkant, zei ze tegen me. Iedereen is net weg.'

    • Hans Goedkoop