Een Duitse verademing

Anders dan Fransen en Britten, wie de mening van de wereld niets kan schelen, zijn de Duitsers er doorgaans zeer gevoelig voor. Ze willen geliefd worden. Dat maakt hen kwetsbaar, en die kwetsbaarheid kan wel eens in het omgekeerde omslaan: “Und willst du nicht mein Bruder sein, so schlag ich dir den Schädel ein.”

Wat een verademing dus wanneer we een Duitser ontmoeten die zijn schouders ophaalt over de ongeliefdheid van zijn landgenoten. Zoals bondspresident Roman Herzog, die dezer dagen hier te gast was. Enquêtes die uitwijzen dat Duitsers bij Nederlanders niet zo bijster populair zijn, neemt hij “niet zo vreselijk serieus”, zei hij meermalen.

Weliswaar trekt hij daarmee een niet onbelangrijk deel van een zelfbeeld in twijfel, dat immers grotendeels berust op de mythe van het lijden dat heel Nederland meer dan vijftig jaar geleden door Duitsland is aangedaan, maar verfrissend is deze “onderkoelde stijl, die zich soms op de rand van onverschilligheid lijkt te bewegen” (zoals de correspondent van Trouw in Bonn dat uitdrukt), wèl.

In elk geval is die stijl anders dan die van zijn voorganger, bondspresident Von Weizsäcker, door de correspondent van de Volkskrant een “Pruisische aristocraat” genoemd (wat niet juist is, want de Weizsäckers zijn (jonge) Württembergse adel), die aan die enquêtes, zoals hij (dit keer waarschijnlijk wèl terecht) schrijft, “ongetwijfeld een diepzinnige, moreel zwaar aangezette verhandeling” zou hebben gewijd.

Ook in dit opzicht is Roman Herzog een verademing. Met alle waardering voor zijn voorganger, moet ik bekennen dat zijn mooie redevoeringen mij langzamerhand op de zenuwen gingen werken. In zoverre ben ik blijkbaar een typische Nederlander, want Ernst Zahn schrijft in de bundel Kannitverstan? Deutschlandbilder aus den Niederlanden (Munster, 1995) dat “grote redevoeringen, die in Duitsland indruk maken, aan welker tekst gevijld is om de grote gedachten te baren en te verdiepen”, bij ons impopulair zijn.

Mij is Herzog liever, die bij een herdenking in Auschwitz zei dat er plaatsen zijn waar slechts zwijgen past. Was dat een steek onder water aan het adres van zijn voorganger? Hoe dat ook zij - voor Duitse Schöngeisterei ben ik altijd enigszins allergisch geweest. Ik weet wel dat vele Schöngeister in de tijd van Hitler aan de “goede” kant hebben gestaan, maar velen hebben zich - zeker aanvankelijk - ook juist tot hem aangetrokken gevoeld.

De dichter Stefan George (1868-1933) had leerlingen in beide kampen. Claus von Stauffenberg was een van hen en oorspronkelijk een geestdriftige aanhanger van de man op wie hij op 20 juli 1944 de mislukte aanslag zou plegen, en de eed die hij zijn medesamenzweerders had willen laten zweren, zwelgt van gevoelens en gedachten die de Nederlander volkomen vreemd zijn.

Het is ook geen wonder dat een andere samenzweerder, Adam von Trott zu Solz, die van het begin af aan tegenstander van Hitlers regime was geweest, in Engeland, waar hij gestudeerd had en vele vrienden had, toch in laatste aanleg gewantrouwd werd wegens zijn verheven idealisme, dat, in het Engels vertaald, een warhoofdige, zo niet komische, indruk maakte.

Thomas Mann schreef eens: “De Duitser denkt niet politiek, maar tragisch, mythisch, heroïsch”, en dat gold zowel voor voor- als voor tegenstanders van Hitler. Gold, want in de halve eeuw die sinds 1945 is verstreken, hebben de Duitsers de heilzame, nuchtere invloed van vooral Amerika ondergaan.

Oud-president von Weizsäcker en gelijkgezinden, die hun spreekbuis vooral in het weekblad Die Zeit vinden, mogen we dus niet over één kam scheren met degenen die Thomas Mann op het oog had. Niettemin zijn de diepe waarheden die hij placht (en nog wel pleegt) te verkondigen, in zekere zin “typisch Duits”.

Maar ze zijn dan ook voor een Duits publiek bedoeld. Met zijn klassieke rede voor de Bondsdag op 5 mei 1985 is hij voor het buitenland de belichaming van de “goede Duitser” geworden. In Duitsland zelf had die rede een gemengde ontvangst, wat betekent dat er ook moed voor nodig was haar te houden.

Hoe komt het dan dat ik toch een zekere reserve koester jegens die Duitse diepzinnigheid? Ik heb mij dat zelf meermalen afgevraagd. Het is niet omdat ik anti-Duits ben. Ik heb niet meer van de Duitse bezetting te lijden gehad dan de meerderheid van het Nederlandse volk, en minder dan de Nederlanders die in de Duitse kampen geleden hebben en vaak omgekomen zijn (vandaar dat ik hierboven sprak van de mythe van het lijden van alle Nederlanders).

Is het doordat ik produkt ben van de Nederlandse cultuur, waaraan de Romantiek, die de Duitse cultuur zo intens - en soms zo fataal - beïnvloed heeft, grotendeels is voorbijgegaan? Bij Romantiek denken wij dan meestal aan Rhynvis Feith, en dan beginnen we te lachen.

Of is het doordat de filosofie, die bijna het kenmerk is van de Duitse cultuur, bij ons niet inheems is - in tegenstelling tot de theologie, die ons allen tot moralisten heeft gemaakt? “In Nederland is een van religie en moraal gescheiden, eenzijdig literair-esthetische cultuur onder regie van de filosofie nooit van de grond gekomen”, schrijft Zahn.

De dichter Albert Verwey, die met Stefan Georg bevriend was (totdat, al in 1910, Verwey George's “Duitse religie” niet meer kon volgen), schreef hem eens: “Droomer! ik bemin uw zang,/en uw verre woorden komen/als een voorjaar tusschen boomen,/als een adem op mijn wang./Maar de zeewind frisch en zilt/wil niet wijken uit mijn haren./Hoe zal ik die beide paren:/Zang die zoelt en bries die trilt?”

Maar die metafoor is mij ook te “Duits” als verklaring, hoewel het zeker waar is dat de maritieme gerichtheid van ons land en zijn geschiedenis - aan de zee hadden we onze welvaart en, tijdelijk, onze macht te danken - het eeuwenlang met de rug naar Duitsland heeft doen leven, dat velen tot op den dag van vandaag nauwelijks kennen en maar een raar land vinden (al gaan ze er wel met vakantie naar toe).

Heinrich Heine schreef eens spottend over zijn landgenoten dat zij “besitzen im Luftreich des Traums/die Herrschaft unbestritten./Hier üben wir die Hegemonie,/hier sind wir unzerstückelt;/Die andern Völker haben sich/auf platter Erde entwickelt.” Als zoon van “platter Erde” koester ik een zeker wantrouwen jegens politici die waarheden verkondigen die, in mijn ogen, abstract blijven en ondervind ik bondspresident Herzogs filosofie-met- beide-voeten-op-de-grond als een verademing.

    • J.L. Heldring