Don Quichot in Den Haag; Hilarische novelle van Willem Brakman

Willem Brakman: Een voortreffelijke ridder. Uitg. Querido. 112 blz. Prijs ƒ 29,90.

Willem Brakman is een inhalige schrijver. Egocentrisch zou je hem ook kunnen noemen. Hij verdraagt het niet om buitenstaander te zijn. Daaruit valt ook zijn gespannen verhouding met zoiets algemeens als 'de werkelijkheid' en zijn afkeer van kranten (en krantelezers) te verklaren. Of hij nu schrijft over Jack the Ripper, Ludwig van Beieren, Paus Innocentius X of Van Gogh, onder zijn handen verliezen zij hun eigenheid en krijgen zij vanzelf Brakmaneske trekken. De kwestie lijkt mij niet dat hij de geschiedenis nog eens wil overdoen. Hij wil zich haar eigen maken, er deel van uitmaken. Bij zijn toeëigeningspraktijken beperkt hij zich niet tot 'de' of zijn eigen (familie) geschiedenis. Ook andermans verhaalfiguren zijn niet altijd veilig voor hem, zoals Emma Bovary, Odysseus of Josef K. Aan zijn herscheppingen ligt, denk ik, geen ontevredenheid met het origineel ten grondslag, maar wel een behoefte om dubbele eer te bewijzen aan de verbeelding.

In zijn nieuwe novelle, Een voortreffelijke ridder, speelt hij ook met de literaire overlevering. Don Quichot en schildknaap Sancho Panza bracht hij onder in Scheveningen, vanwaaruit zij uitstapjes maken naar Den Haag. Twee werelden schuiven hier moeiteloos in elkaar. De Don, zoals hij familiair wordt genoemd, is uitgerust met een mediterrane en een zeer Hollandse kant, die hem tot een typisch Brakmanpersonage maken: goedgelovig en argwanend tegelijk, rondborstig en achterbaks, een oude bekende en een vreemdeling. Een eigenaardige figuur, kortom, die wordt verscheurd door tegengestelde aandriften. Het liefst zou hij, zoals alle helden van Brakman, zwelgen in jeugdherinneringen, over klappertjespistolen, het pleintje tegenover het ouderlijk huis, of de uitleenbibliotheek. Maar hij wordt voortgejaagd door het idee grootse daden te moeten verrichten, strijd te moeten leveren tegen allerlei vaag onrecht. Zijn muze is een lonkende, maar onbereikbare vrouw. Bij Cervantes heette zij Dulcinea. Brakman doopte haar om tot 'mevrouw Haase', 'een vrouw van olijfkleurige allure, aan de gevulde wat zonarme kant'. Een ogenschijnlijk gulle en verfijnde dame, die duistere eigenschappen herbergt.

Alle vertrouwde, Haagse ingrediënten zijn vertegenwoordigd: de Julianakerk, met een uit de hand lopend begrafenisceremonieel, de snoepwinkel Jamin, veel gescharrel in en rond de Bosjes van Poot, het Gerecht, waar de Don tot twee keer toe voor moet komen en de heren Onderwater, Bestevaer en Barnhoorn, die altijd goed zijn voor een paar schrille scènes. En natuurlijk is er de theevisite, met de 'onvermijdelijke eigengebakken cake, een lot dat de Don tot in lengte van dagen zou achtervolgen'. Genoegelijk is die visite overigens niet, en de theekopjes blijven nadrukkelijk leeg. Want dat kenmerkt het universum van Brakman: het oogt er intiem en huiselijk, maar het is er bepaald ongezellig. De volmaakt onthechte dialogen tussen moeder en dochter, winkelier en klant en tussen agent en arrestant dragen bij aan een hoekige, maar ook hilarische atmosfeer, waarin alles mogelijk is. Een bizar hoogtepunt vormen de schermutselingen tussen de Don en zijn vroegere onderwijzer Bestevaer. Met zijn zwaard onthoofdt hij de gehate schoolmeester, die vervolgens weer opkrabbelt en het strijdperk verlaat. 'Een vreemd gezicht, door het ontbreken van het hoofd en zo van achteren was het net of dit beschaamd voorover op de borst was gezakt. Maar dan was er weer dat schommelende hoofd dat mee werd gedragen, zo alsof het steeds maar ach, ach, ach schudde, doorregen met bleke flitsjes lorgnet.'

Een voortreffelijke ridder is een mooi en erg grappig verhaal met tragische accenten. Enigszins beklagenswaardig is Brakmans Don Quichot toch wel. Hij draaft maar wat rond, gedreven door onduidelijke impulsen. Een speelbal is hij, van andermans verbeelding en hij is zich dat ook pijnlijk bewust: 'Wel vermoedde hij dat er werd opgeschreven wat hij allemaal had gedaan, maar voor je het wist deed hij wat er werd geschreven.' Maar je zou in de novelle ook een soort zelfportret kunnen zien, van een schrijver die zelf graag ronddoolt in de geest, en voor wie niets vaststaat. Als zijn held opmerkt dat niets is wat het lijkt en dat het erom gaat 'iets te kunnen zien áls iets', dan is het net of je Brakman zelf hoort spreken, zeker als de Don verzucht: 'Ik noem dat mijn gevecht met de werkelijkheid'.

    • Janet Luis