Congresje

Op naar een nationaal supportersbeleid: het klinkt een beetje als een televisieprogramma over de natuur. Of als een minister voor het gezin. Het is zo vanzelfsprekend dat je het niet kan benoemen.

Een voetbalstadion als een denkbeeldige staat waar tussen de bedrijven door teksten van Homerus of Harold Pinter worden gepreveld, kerstliederen worden gezongen en mannen en vrouwen met veel flower power in de ogen elkaar in de armen vallen, ik droom er ook van. De tempelgedachte is weer helemaal terug.

Het zou mooi zijn als een bezorgde vader op een dag tegen zijn puberale zoon kan zeggen: ga maar naar de Meer, de Kuip of het Diekman, daar ben je veilig. Daar leer je hoe je later een hoed kan dragen. Het stadion als de couveuse van eer en fatsoen, met Michael van Praag en Jorien van den Herik als zorgzame verpleegstertjes, zou het nog voor het eeuweinde kunnen? Er is hoop want er worden nu ook congressen gewijd aan supportersgedrag en als er iets is dat op vooruitgang wijst is het wel een congres. Vergeleken met zo'n gekostumeerd gezelschap in de RAI, het naamkaartje altijd net iets te hoog op de revers geprikt, bladdert de biënnale van Venetië af tot een verzameling armoedzaaiers.

De omgekeerde wereld wenkt. Straks moeten de supporters door een steward met een hesje begeleid worden als ze uit het gesacraliseerde stadion weer in de maatschappij stappen. Want daar worden ze opgewacht door Oliver Stone. Of door digitale SS'ers. Misschien worden ze voor hun huis wel bewerkt met een kettingzaag door kiddo's in bomberjacks.

Natuurlijk moet het rapalje uit de stadions worden gedonderd. Ajax-fans die eerst de arm van een suppoost moeten verbrijzelen om te kunnen genieten van de kunstjes van Kluivert horen een rode kaart voor het leven te krijgen. Maar de verontwaardiging over supportersgedrag is mij te selectief. Het ene bloed is het andere niet. Wie weet heeft zo'n jongen van de F-side thuis een vader zitten die de hele dag met een lasergun afrekent met de afdelingschef. En de meid naast hem zal ook wel hebben geconstateerd dat befaamde couturiers ongegeneerd grof geld kunnen verdienen aan voorbebloede doorkijkblouses, zonder dat er ook maar een protest opstijgt uit de burgerij. Ik ben een vurig voorstander van een congresje over en tegen het vestimentaire vandalisme.

Het angélique verlangen van voetbalbestuurders om de supporter te herijken heeft iets verdachts. Zou het geen koketterie kunnen zijn van mannen die, volgevreten door het succes van de club, de bond of van zichzelf, zo nodig willen uitpakken met een spirituele dimensie, met een neo-burgerzin. Natuurlijk, pas als het geld is geteld en de vette contracten met de televisiezenders zijn gesloten. De chique heren van de bestuurskamer geven steeds vaker de indruk een leiderschap te zoeken dat de ruimte van de sport overstijgt. Toch het Berlusconi-syndroom? Of is het de Terpstra-koorts?

Van Jos Staatsen wil ik graag geloven dat hij met een pedagogisch mandaat in het leven staat. Deze KNVB-praeses spreekt niet, leest ook niet voor, hij bidt. Stel dat Staatsen ooit zou roepen: geef hier die bal, dan klinkt dat als een psalm. Verontrusting over de medemens is zijn tweede natuur, een monnik gelijk. Maar als de voorzitters van Ajax, Feyenoord, Vitesse en MVV bij mij ingeploegd komen met nieuwe fatsoensnormen en congresjes voor herbewapening, dan voel ik de nekharen lichtjes rijzen. En hoor ik me denken: hoeveel schuift het? Is het geen truc om al op voorhand af te komen van de boetes die gekoppeld zijn aan de risico-aansprakelijkheid van hun clubs? Ik denk dat ze iets heel opportunistisch verborgen houden achter de leren glacées. Al was het maar de onuitsprekelijke dankbaarheid voor het geluk voorzitter te zijn.

Het is een illusie voetbalsupporters te willen modelleren naar het geslacht der engelen. De moyenne van de middelvinger zal in de hitsige kooien achter het doel nooit veel lager komen te liggen dan de snelwegscore. Na iedere wedstrijd gaat er altijd wel iemand met een tandje minder naar huis. Dat zal zo blijven. Daarom dient de kanselretoriek tot niets. Het enige dat werkt is de harde hand: levenslang voor keet. Inclusief verbanning voor oerwoudgeluiden. De schaamte dat bekende Nederlanders ingezonden brieven moeten schrijven om de dood de dood te laten en de kleur de kleur wil ik alleen nog in de hel meemaken.

    • Hugo Camps