Zonder orde geen les

De begeleiding van beginnende leerkrachten laat te wensen over, zo blijkt uit een rapport van de onderwijsinspectie. Vooral het ordehouden is in toenemende mate een probleem. Wat te doen als de inktpotten door het lokaal vliegen?

Een groep jongeren staat te dringen voor het lokaal. Ze trekken aan elkaars jassen en duwen tegen elkaar op. Een meisje moet haar bril beschermen. Naast haar krijst een klasgenote dat 'John met z'n poten van d'r af moet blijven.' Ze zijn minstens met z'n twintigen, deze mavo 2 groep van het Zuiderpark College in Rotterdam-Zuid. Bij de deur staat de lerares Frans, Sonja Hogervorst (24). Ze laat hen één voor één door de deuropening. De leerlingen zien haar niet eens. Zodra het kan, rennen ze schreeuwend naar de achterste banken. Hogervorst zucht: 'Een veel te groot lokaal. Dit wordt eerst een kwartier niets doen om de boel te kalmeren.'

Hogervorst geeft sinds een jaar les en ze begint het leuk te vinden. Ook al zijn de 840 leerlingen op de mavo/vbo scholengemeenschap niet de gemakkelijksten. Sommigen horen eigenlijk in het speciaal onderwijs thuis, maar volgen hier het individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo) in kleine groepjes. De helft van de kinderen is van allochtone afkomst, bijna alle kinderen komen uit sociaal zwakke wijken en hebben concentratieproblemen. De truc om bij de ingang van het lokaal te staan heeft Hogervorst in de loop van vorig jaar van collega's afgekeken. Als iemand nu 'kankerhoer' tegen haar roept, stuurt ze hem zonder pardon de klas uit.

Hogervorst pikte snel op hoe ze orde moet houden in de klas. Het motto op haar school luidt: 'eerst orde handhaven, dan pas lesgeven'. 'Aanvankelijk wilde ik het boek in een hoog tempo met de klas doornemen, maar nu doe ik het rustiger. Als het niet afkomt, dan niet. Zolang ze iets opsteken en er heerst rust, is het mooi.' Ze leerde door vallen en opstaan: 'Ik kreeg vorig jaar al eindexamenklassen, en de moeilijkste groepen, 2 Mavo. Nu weet ik dat je er vanaf het begin bovenop moet zitten, niet aardig moet zijn. Een jaar geleden had ik geen idee.' Samen met Jonathan Buter (27), die vorig jaar begon als economieleraar, en twee anderen heeft Hogervorst nu een vaste aanstelling op deze school. De vier overige beginners zijn binnen een jaar al dan niet vrijwillig vertrokken.

Het is een bekende gang van zaken in het basis- en voortgezet onderwijs: jonge leerkrachten moeten vanaf dag één voor de klas staan. Alleen. In het ergste geval krijgen ze impliciet 'zoek het maar uit' te verstaan. De meest assertieve beginners redden het wel. Zij klampen collega's aan met vragen over moeilijke kinderen, het tempo waarin ze de lesstof moeten behandelen of over gesprekken met ouders. Beginners met minder durf zijn aangewezen op begeleiding vanuit de schoolleiding, een mentor of hun vakgroep. Als die ontbreekt, is het eind zoek. Verhalen over beginners die huilend de klas uitrennen of niet meer naar hun werk willen, zijn bij alle onderwijsinstellingen bekend. Het gevolg kan zijn dat hun contract niet wordt verlengd en dat zij het onderwijs verlaten.

De dienst onderwijsinspectie bracht hierover onlangs een kritisch rapport uit. Volgens de inspectie pakt slechts één derde van de scholen in het voortgezet onderwijs de beginnersbegeleiding structureel aan; het ontbreekt de meeste aan personeelsbeleid. Veel scholen hebben wel een begeleidingsprogramma opgesteld, waarin enkele gesprekken over het functioneren van een beginner zijn opgenomen en hij een mentor krijgt toegewezen, maar de begeleiding blijft gebrekkig, zo stelt de inspectie.

Verder wordt opgemerkt dat scholen geen aandacht besteden aan belangrijke punten zoals het leren onderhouden van contacten met ouders, het onderscheid tussen de begeleiding en de uiteindelijke beoordeling en de omvang van het takenpakket van een beginnende leerkracht. Het basisonderwijs kreeg vorig jaar dezelfde kritiek.

Janneke van Beek (26) raakte vier jaar geleden in moeilijkheden bij haar eerste functie op een basisschool voor kinderen met leerproblemen in Den Haag. Ze kreeg een luidruchtige groep 7 (11-jarigen) onder haar hoede die al verschillende invalkrachten had weggepest. 'In het begin zocht ik manieren om de brutaalste kinderen tot rust te manen, maar op een gegeven moment waren mijn ideeën op. Zelfs toen ik wanhopig stond te roepen dat iedereen stil moest zijn, schoten leerkrachten in buurlokalen mij niet te hulp.' Op haar herhaalde verzoeken aan de directeur om advies of een bezoek tijdens de les, kwam geen respons. Toen de schoolleiding haar na een jaar een vast contract wilde geven en haar een uitstekende beoordeling gaf, haakte van Beek af. 'De beoordeling was nergens op gebaseerd, niemand had interesse getoond voor mijn functioneren.' Ze is uit zichzelf vertrokken.

De kans is klein dat dit op basisschool de Peperklip in Schiedam Oost zou zijn gebeurd. Directeur Ron Abel heeft met zijn collega's een personeelsbeleid ontwikkeld dat strakke begeleiding van jonge leerkrachten inhoudt. Op een bijeenkomst voor beginnende basisschool-leraren vertelt hij dat zij zich in eerste instantie moeten concentreren op het lesgeven en niet te veel daarnaast moeten willen. Op zijn school mag een beginner niet lesgeven aan de hoogste groepen, of de groepen 3 en 4 waarin kinderen leren lezen, schrijven en rekenen. Verder moedigt de directie de beginners aan hulp te vragen van collega's bij moeilijke gesprekken met ouders of de omgang met opstandige kinderen.

Mocht iemand, na intensieve begeleiding, ongeschikt blijken voor het vak, dan stuurt Abel de beginner weg. 'Het gaat tenslotte om de vormingsjaren van de kinderen.' Veel geïnteresseerden van andere scholen zijn het afgelopen jaar komen kijken naar de organisatie op zijn school. Maar tijdens de bijeenkomst blijkt dat sommige collega's de aanpak van de Peperklip te autoritair vinden. 'In het onderwijs heerst een consensus-cultuur, iedereen is gelijkwaardig en overlegt met elkaar. Dan kom je er samen wel uit en heb je geen strak personeelsbeleid nodig', zo verwerpt een basisschool directeur uit Brabant de methodes van Abel.

De verantwoordelijkheid voor de oplossing van beginnersproblemen ligt niet uitsluitend bij de schoolleiding en de begeleidende mentoren, maar ook bij de leerkracht zelf, zegt de directeur van het Zuiderpark College, Karel Bosselaar. 'Die moet openstaan voor opbouwende kritiek en zelf vragen stellen.' Hij vertelt hoe een jonge tekenleraar, tegen het advies in, meteen met inkttechnieken begon in plaats van met potloodtekeningen. 'Dan moet je niet verbaasd zijn als de inktpotjes door het lokaal vliegen.' Hij raadde de nieuwe leraar ook aan de ramen te sluiten. 'Dat deed hij niet en dus vlogen de potjes naar buiten.'

Het ministerie van OCW zoekt naar oplossingen voor de gebrekkige beginnersbegeleiding. Het financiert een onderzoek naar beginnersproblemen van het Schooladvies Centrum in Utrecht, dat dit jaar een ondersteuningspakket voor basisscholen samenstelt. Dat zal bestaan uit richtlijnen en een vragenlijst om na te gaan in welke fase de beginner zich bevindt. Zo maken jonge leraren volgens het adviescentrum een ontwikkeling door van twijfel over zichzelf, naar twijfel over het lesmateriaal, tot twijfel over de capaciteiten van de kinderen. Onderzoekster, Claudia Scholten: 'Het zou goed voor de begeleiders zijn als ze weten in welke fase de beginner zit.' De schooldirecties zijn vrij om te kiezen of ze gebruik maken van het pakket, bindend is het niet. Scholten zou het liefst zien dat er wel een verplicht begeleidingscontract komt, waardoor zowel de beginner als de schooldirectie weten waar ze aan toe zijn. 'Het moet duidelijk zijn welke taken de beginner krijgt en hoe de beoordeling verloopt.'

Verder organiseert het Forum Vitaal Leraarschap, dat werd opgericht naar aanleiding van een gelijknamige nota van Ritzen in 1993, discussiebijeenkomsten voor beginnende leerkrachten en schooldirecties. Ook een aantal lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs is dit jaar begonnen met het projekt 'Leraar in Opleiding' om de studenten meer werkervaring te laten opdoen tijdens hun studie. Hoewel de onderwijsinspectie de afgestudeerden van zowel de pabo's als de lerarenopleidingen 'startbekwaam' acht, erkennen veel opleidingen dat zij de dagelijkse schoolpraktijk nog beter moeten nabootsen.

De grootste omslag moet echter plaatsvinden binnen de onderwijscultuur, zegt Joep Straathof, projektleider van het Forum Vitaal Leraarschap. Een school moet in toenemende mate geleid worden als een bedrijf: met oog voor de kwaliteit van het onderwijs en investering in de leerkrachten. De school moet een moderne werkgever worden, vindt hij, met een personeelsbeleid dat voorziet in de ontplooiing van leerkrachten, vanaf de eerste dag dat ze beginnen.

    • Frederiek Weeda