Wat ligt daar?

J.G de Vries (red.): Dieren op en langs de weg. 144 blz. Prijs ƒ 20,-. Samengesteld en uitgegeven door Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde. Te bestellen via Postbus 5044, 2600 GA Delft.

De paden af, de rijksweg op. Ieder tijdperk krijgt het natuurboekje dat het verdient. Zo ook het auto-tijdperk. 'Dieren op en langs de weg' vult een lacune - het richt zich op de determinatie van dierlijke weggebruikers en verkeersslachtoffers. Deze uitgave van de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat is allereerst bedoeld voor wegbeheerders. Als zij nauwgezet bijhouden welke soorten doodgereden worden op welke plekken, ontstaat een beter beeld van de knelpunten, zodat daar maatregelen genomen kunnen worden.Maar de uitgever richt zich ook op het bredere publiek.

Waar je vroeger las dat een vogel een bekende tuinbewoner was door zijn parelende zang, lees je nu bijvoorbeeld: 'De buizerd is een bekend verkeersslachtoffer door zijn lage en langzame vlucht.' Mooi fotowerk toont de behandelde dieren - ruim twintig zoogdieren, zestig vogels, zes reptielen en negen amfibieën - in volle glorie, of als kadaver bij ondergaande zon of strijklicht. De dode kerkuil en zijn gevangen muis liggen er symbolisch bij: de muis nog in de klauwen. Maar de ransuil in de berm leeft nog. Verdwaasd steunend op de vleugelboegen kijkt hij in de lens, terwijl achter hem alweer een auto aan komt stormen.

De samenstellers lijken niet zo van wegen te houden. Ze brengen de situatie kort in kaart. 'Bij elkaar zo'n 120.000 kilometer weg zorgt ervoor dat elke plaats, elk gebied in Nederland bereikbaar is. Bijna overal ligt landbouwgrond die arm is aan natuur en de overgebleven natuurgebieden zijn nog verder versnipperd geraakt door wegen en andere vormen van landgebruik.'

Ze melden dat kleine en trage dieren bij het oversteken van drukke wegen 'bijna allemaal' worden doodgereden; ook grotere dieren als otters, dassen en reeën vinden vaak de dood in het verkeer. Wegbermen vervullen tegenwoordig een belangrijke ecologische rol als leefgebieden en trekroutes. Maar de gebruikers bewegen zich op het scherp van de snede.

Wie zijn die gebruikers? Het onderwerp wordt al snel ingeperkt tot de gewervelde dieren, waarbij wordt uitgelegd waarom de vissen zijn uitgezonderd. De naaktslakken die een vochtig wegdek massaal betreden of de door warm asfalt aangetrokken insekten ontbreken dus. De egel die ze op komt eten staat er wel in. Ieder verkeersgevoelig dier krijgt één pagina, met afbeeldingen en een beschrijving van de kenmerken. De beschrijving is aangepast aan de slachtofferstatus: zo laat zich bij marters de kenmerkende kleur van de ondervacht goed bekijken.

Reptielen en amfibieën op naam te brengen blijkt geen eenvoudige zaak: de dieren zijn vaak volledig platgereden of in het wegdek geperst. Toegevoegde waarde verleent een korte beschrijving van het gedrag langs de weg en van 'het aanvaringsrisico', met veel aandacht voor de toptijden in de loop van het jaar. Die verhandelingen zijn boeiend, maar zeker bij de zoogdieren erg summier. Het is inderdaad frappant - dode bunzingen tref je vooral aan bij betrekkelijk steile op- en afritten van snelwegen. Maar waarom juist daar?

Bij de vogels komt er iets meer diepte in de besprekingen. Alleen bij extreem koud weer zoekt een moerasvogel als de roerdomp de muizen van de wegberm op. En mezen lopen grote risico's bij het verzamelen van overreden beukenootjes. Hier wordt ook een kiem gelegd voor een nieuwe wetenschap: welke vogels steken met hun jongen de weg over. De grutto speelt ook hier weer een dramatische rol. Vooral vogels die proberen de maaimachines op het grasland te ontlopen komen op de autoweg terecht.

De individuele soortbesprekingen zijn de kracht van het boekje; wie benieuwd is naar de voedselpiramide van dit ecosysteem en naar het uiteenlopende weggedrag van dieren vindt veel verrassends. De inleidingen veronderstellen weinig algemene ontwikkeling bij wegbeheerder of leek. Zo leert die over zoogdieren dat er ook geteelde zoogdieren zijn, zoals koeien en schapen, die de mens nuttige produkten leveren. Ook is het de verschillende samenstellers niet overal gelukt de ambtelijke voorliefde voor de passieve zin te onderdrukken; dat ondergraaft de leesbaarheid voor het bredere publiek. En vreemd genoeg doen ze nauwelijks uit de doeken welke maatregelen nu al van kracht zijn, zoals het herstellen van veilige migratieroutes binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Een klein, geïllustreerd hoofdstuk daarover zou het inzicht bij de lezer verhogen. Nu bekruipt hem het bange vermoeden dat hier weer een Hollands kunststukje van inventarisatie wordt opgezet om de inventarisatie zelf. Er is sowieso voer voor defaitisme: nergens is ook maar een alinea te vinden over bijstelling van het wegennet zelf, of over autowerende maatregelen in plaats van 'dassenkerende'.

De oppervlakte aan bermen in Nederland bedraagt meer dan vijftigduizend hectare, een gebied ter grootte van Texel. Hoe moet daarmee worden omgesprongen - met ecologisch beheer of juist een ontmoedigingsbeleid tegenover die dieren die zo massaal onder autowielen terecht komen? Natuurbeschermers rollen naar aanleiding van die vraag vechtend over de weg. Volgens de samenstellers is ecologisch bermbeheer 'per saldo' gunstiger voor de natuur. 'Dat niettemin veel vogels op deze voor hen voedselrijke bermen afkomen en in het verkeer omkomen is een gegeven.'

In dit boekje is één grote kans gemist - een aanzet tot humane interventie. Het onderzoeken van de wegkant op aangereden fauna wordt omgeven met richtlijnen over de omgang met het dode dier. Maar wat te doen met het halfdode dier? Onnatuurlijke sterfte van dieren is één ding: een onnatuurlijk lange lijdensweg een ander. Maar tips over het nut van een scherpe spade of een overdosis verdovingsmiddel voor uitzichtloos gewonde dieren ontbreken. Het ecosysteem langs de weg is weliswaar heel dynamisch, maar het kan lang duren voordat kraaien of roofdieren als afmakers ter plekke zijn.