'Vrede is de moeilijkste staat voor onze psyche'

SARAJEVO, 18 OKT. Ze blies en ze blies en blies. Maar de lamp wilde niet uitgaan zoals haar kaars elke avond deed. Met rode konen zit Gordana (46) op de bank. Ze schaamt zich zo vreselijk diep: “Dat een vrouw van mijn cultuur en opleiding vijf minuten lang tegen een elektrische lamp zit te blazen in de hoop dat de vlam uitgaat. Zijn we nu gek aan het worden?” Uit haar ogen vallen tranen. Stil zit ze in haar oververhitte kamer, terwijl haar man naast haar de koffie maalt met zijn enig overgebleven arm.

Het gas en de elektriciteit die vorige week weer naar het belegerde Sarajevo stroomden, brachten daar een golf van euforie teweeg. Soep en aardappeltaart en vlees en vis - tot diep in de nacht hebben ze bij Gordana thuis alles gekookt en gebakken waarvan ze zo lang hadden gedroomd. Overal in de buurt hoorde je ontploffingen in de huizen van gasleidingen die met tuinslangen en plakband waren aangelegd. De volgende dag haalde Gordana haar stofzuiger tevoorschijn en ging haar dikke tapijten te lijf. “Ze vroeg me een kaars aan te steken om te kijken of er nog stof in de donkere hoekjes lag”, vertelt haar dochter lachend. Gordana blijft zwijgen, en bloost weer. “De zenuwen ontspannen zich nu”, probeert haar echtgenoot. “We kunnen ons niet realiseren dat we een normaal leven hebben. Maar het is ook moeilijk om normaal te denken als alles nog steeds zo abnormaal is.”

Met een half been, één been of helemaal zonder. Op stokoude krukken hinkelen de jongens door het puin van wat eens door de Habsburgers werd gebouwd als het grootste ziekenhuis van Bosnië. De gewonden liggen in onafzienbare rijen; onder hen mannen die zich nooit meer zullen kunnen bewegen. “Niets, ik denk helemaal niets”, antwoordt een jongen terwijl hij naar het plafond blijft staren. Niet over het staakt het vuren, niet over vrede wil hij praten. “Ik denk alleen aan mijn benen. Dat ik op een dag weer kan lopen. En dat ik dan heel ver weg zal gaan.”

Bij de volgende vleugel springt een man gillend op een jongetje af die met zijn vingers het gebaar van schieten maakt. Donkere gangen, de geur van urine. Dan eindelijk de deur van dokter Boro Markovic, professor en psycho-analyticus gespecialiseerd in oorlogstrauma's. Op zijn bureau een wijnfles met water en een dik brok kaas. “De hele stad lijdt aan de een of andere vorm van post-traumatisch stress-syndroom”, luidt Markovic' diagnose over Sarajevo. Lichtpeertjes uitblazen. Vuurtjes stoken naast de gaskachel. Het zijn volgens hem nog de mildere vormen van stress in een stad die al bijna vier jaar een openluchtgevangenis is. Juist nu een minimum aan levensvoorwaarden is hersteld. Nu mensen voor het eerst weer de straat op kunnen zonder dagelijks de kans te lopen op een granaat op hun hoofd of een sluipschutterkogel. Juist nu breekt de depressie in volle hevigheid los. “Ik leefde op het gelukkige idee: vandaag ben ik wéér niet dood. Nu moet ik opeens aan morgen gaan denken”, zo had een jonge verpleegster tussen de stukgeschoten muren van haar afdeling gezegd.

Zeventig procent van de burgers en de soldaten zou op dit moment gebaat zijn bij een psychische behandeling, denkt Markovic. Het aantal zelfmoorden neemt volgens hem plotseling toe. Vrouwen- en kindermishandeling is aan de orde van de dag. Juist in de kalmte worden mensen zich bewust van hun situatie. Nog steeds kan geen burger de stad verlaten. Nog steeds zitten de Serviërs in de bergen om de stad. “Dus zweten mensen drie tot vier pyama's per nacht vol met hun angsten. Dus durven anderen nog steeds niet op straat, of durven anderen juist niet alleen te blijven.” Markovic krijgt alleen de meest extreme gevallen in zijn praktijk. Een voorbeeld? Wat we maar willen. Een geval van hysterische doofheid? Of gewoon neurotisch handenwassen?

In zijn vingdingrijke mengelmoes tussen Frans, Italiaans en Engels vertelt Markovic over een van zijn patiënten. Een strijder voor Sarajevo van Servische afkomst. Als 'romantisch verdediger van zijn stad' had hij het in eerste oorlogsjaar geschopt tot held. Toen opeens werden hem de wapens afgenomen, omdat het Bosnische regeringsleger de Serviërs in hun rangen niet meer vertrouwde. Hij moest toen loopgraven maken bij het front. “Dat was de aanleiding: alle zekerheden van het leven waren hem plotseling ontnomen. Hij wilde een einde maken aan zijn leven, maar hij had geen pistool meer.”

Zijn patiënt maakte tekeningen van zijn angstdromen, de dromen die veel soldaten blijken te hebben. De tekeningen gaven hem meer inzicht: uiteengerukte lichamen, loopgraven en tranen. Het deed hem denken aan de surrealistische schilderijen van Jeroen Bosch; maar die man tekende gewoon de werkelijkheid.

“Hier is de kracht van de realiteit zo groot dat het onderbewuste niet meer bestaat”, zegt de psychiater en neemt een stevige hap van zijn kaas. “Dat is het allergrootste probleem.” Therapie zou het onderbewuste moeten bovenhalen en de patiënt genezen. Maar wat als de “duivelse situaties” in de hoofden de werkelijkheid zijn? “Omdat er geen vrede bestaat, kan ik de patiënt slechts proberen vrede te laten sluiten met zichzelf”, verklaart Markovic. De patiënt moet gaan leven alsof deze traumatische gebeurtenissen nooit hebben bestaan. Maar het probleem met Sarajevo is dat de ziekmakende gebeurtenissen zich steeds herhalen.

Hij loopt naar het met plastic bespannen gat dat ooit het raam is geweest. Verderop in de herfstzon liggen de bergen van waaraf de Bosnische Serviërs de stad belegeren. Het is al vele malen eerder gebeurd, zegt Markovic, anderhalf jaar geleden zwegen de kanonnen ook en kwam de stroom. Maar toen begon alles weer van voren af aan. Hij heeft meegemaakt dat granaatscherven zijn kantoor binnenvlogen. “Dan begint je therapie dus weer helemaal opnieuw.” Vertrouwen dat er vrede komt heeft hij niet meer. “Als er nu vrede komt, ga ik het klooster in”, zweert de dokter.

De rest van de stad lijkt evenmin te geloven dat het nu werkelijk vrede wordt. Vier bosjes prei, een paar pantoffels en een fles limonade. Meer koopwaar hebben de vrouwen niet. Elke ochtend vroeg komen ze naar de markt die onder de ongebruikte snelweg in de wijk Ziglane is ingericht. Sinds de bevoorradingswegen naar Sarajevo weer open zijn voor officiële konvooien, is onder hun bestaan de basis weggeslagen. De prijzen zijn met bijna duizend procent gedaald, waardoor de groente die ze onder hun flat verbouwen niets meer waard is.

“We hebben ons een indigestie gegeten toen het gas kwam. En ik heb mijn hele huis gepoetst. Nu sta ik hier weer”, vertelt Hasiba (42) met haar donker opgemaakte ogen. Ze is blij dat ze niet meer onder de granaten haar spullen hoeft te verkopen en ze is blij met de stroom en het gas. Maar wanneer kan ze haar zus aan de andere kant van het vliegveld bezoeken? Wanneer worden de poorten van de gevangenis opengezet? “Er is geen kans dat Sarajevo vrijkomt door onderhandelingen in Genéve, Washington of waar dan ook. We hebben iets geleerd in de afgelopen jaren: alleen door te vechten kan de stad zich bevrijden. En dat zal gebeuren.”

Ze glimlacht en slaat de wespen van de limonade. Psychische problemen kent ze niet, zegt ze. “Alleen mijn dochtertje springt 's nachts een beetje heen en weer.” Dat begon nadat ze gewond was geraakt. Zelf is ze 's avonds meestal zo moe dat ze lange tijd niet kan slapen.

“Ons lot ligt in de handen van Allah. We brengen slechts offers aan Hem”, zegt een jonge vrouw met een witte hoofddoek die bij het stalletje was komen staan. Voor Sarajevo is zij nog steeds een bijzondere verschijning. Plotseling draait de vrouw zich om en loopt huilend de markt op. De andere vrouwen kijken bevreemd, en halen dan hun schouders op.

“Ik ben alleen een moslim omdat de Cetniks [de Serviërs] dat willen”, zegt Ibro (38) in zijn verweerde flat in het centrum. Twee maanden heeft hij in een van hun kampen gezeten. Hij is geblindoekt, geboeid, geslagen en werd gedwongen uit volle borst hun liederen te zingen. Maar nog steeds kent hij geen haat. “Welcome to Sarajevo.” Dat is het bordje waar hij van droomt. Een stad die voor iedereen openstaat. Ook voor de Serviërs.

“Er komt nu misschien vrede. Maar dat is nog geen vrijheid van beweging”, zegt hij. De etnische deling van Bosnië, zoals in het internationale vredesplan is voorgesteld, kan die vrijheid nooit brengen. Alleen de tijd. “Op een dag zullen misschien ook de Serviërs naar Sarajevo willen komen om eieren op de markt te verkopen. En misschien zullen wij leesbrillen in Banja Luka verkopen.”

Maar tot dat moment daar is zal hij niet te veel hopen. Ja, hij hoopt dat er straks water uit zijn kraan zal stromen. “Mijn leven was een jerrycan.” Hij heeft zich een liesbreuk aan het water getild. Maar zolang Sarajevo belegerd blijft, heeft hij weinig illusies. “We zullen de dekens om ons heenslaan en een derde winter doorstaan. Zodra de Serviërs in de bergen een hoop slivovic op hebben, sluiten ze kranen toch weer af.”

Rillend staan de soldaten die avond naast het monument met de eeuwige (gas)vlam, die nu weer brandt. Bleke gezichten boven verweerde uniformen. Al sinds 6 april 1992 vechten ze. Vrede? Ach, ze geloven het niet. “Over twee maanden zit ik weer in de loopgraven”, voorspelt de jongste. “Vrede is de allermoeilijkste staat van de geest”, had professor Markovic gezegd. “Altijd komt het moment dat de geest zegt: de oorlog was toch beter.”