Stoeptegel tegen de stilte bij sterven

Stervens- en rouwprocessen zijn uit het openbare leven verdwenen. Een persoonlijk verlies moet individueel, en het liefst in stilte, worden verwerkt. Dat is een vorm van culturele armoede, vindt Cas Wouters. Openbare rouw kan de saamhorigheid versterken en 'gevaarlijke' emoties kanaliseren.

In Nijmegen is onlangs een gedenktegel op de openbare weg geplaatst, dicht bij de plek waar zes mensen bij een verkeersongeluk omkwamen. Op de steen worden vier van hen herdacht, onder wie twee Roemenen. De gemeente Nijmegen heeft bij wijze van uitzondering toestemming gegeven voor het plaatsen van de gedenktegel gezien het tragische karakter van het ongeluk en omdat de behoefte van de Roemeense nabestaanden om een gedenkteken te plaatsen zo groot was - en zo vanzelfsprekend. In Roemenië en veel andere Europese landen is zoiets namelijk heel gewoon. Het behoort er tot de rituelen die ruimte bieden om intense rouwgevoelens in het openbaar te uiten.

Het verlies van een dierbaar persoon kan mensen radeloos en redeloos maken, zeker wanneer dit hen plotseling overkomt. Dat gevaar kan worden verminderd door in het openbaar 'iets' te doen, een rituele handeling zoals het plaatsen van een gedenktegel. Zo'n handeling betekent een openlijke confrontatie met het verlies en met de gevoelens van wanhoop en machteloosheid die ermee gepaard gaan. Elk rouwproces is daarbij gebaat. Maar nog belangrijker is dat zo'n openbare demonstratie een gevoel van saamhorigheid kan wekken en een sociaal kader biedt voor het uiten van die 'gevaarlijke' emoties. Zo'n maatschappelijke bedding helpt die emoties te verdragen en biedt bescherming tegen vlagen van angst of radeloosheid.

In Nederland is die maatschappelijke inbedding minimaal. Stervens- en rouwprocessen zijn steeds vergaander uit het openbare leven verdwenen. Het openbaar gedenkteken van doden is slechts toegestaan op enkele plaatsen, zoals op dodenakkers en in rouwberichten. Andere rituelen zoals het dragen van rouwkleding of rouwtekenen zijn sinds de jaren zestig uit het openbare leven verdwenen. Ook de indeling in zware, halve en lichte rouw is slechts herinnering. Tegenwoordig dringt er van rouwprocessen vrijwel niets meer in het openbare leven door, behalve dan de rouwstoet op weg naar begraafplaats of crematorium en de rouwberichten in de kranten.

Jaarlijks krijgen in Nederland grote aantallen mensen met rouwprocessen te maken. Er sterven ongeveer 120.000 mensen per jaar en als iedere overledene vier naasten achterlaat, moeten ieder jaar opnieuw ongeveer 500.000 mensen de hiermee gepaard gaande emoties leren aankunnen. Volgens deskundigen duurt een 'gezond' rouwproces ongeveer anderhalf jaar. Maar nadat het overlijdensbericht is geplaatst en de uitvaart heeft plaatsgehad, is men voor verdere verliesverwerking aangewezen op de privékring van intimi.

Wie vastloopt kan in therapie. Er zijn allerlei rouwtherapieën en -theorieën ontstaan, de fasen van Elisabeth Kübler-Ross raakten tot ver buiten therapeutische en wetenschappelijke kringen bekend, in 1987 werd een Landelijk Steunpunt Rouwbegeleiding opgericht met als doel bij te dragen aan een goede verliesverwerking en sedert dit jaar is er aan de Universiteit Utrecht ook een leerstoel met die taak. Maar hoe leerzaam en nuttig ook, deze ontwikkelingen voorzien niet in de behoefte om de intense persoonlijke gevoelens van rouw ook maatschappelijk vorm te geven.

Een hooggeleerde pleitbezorger van rituelen zei eens: “Weet je voor de kwesties van sociale cohesie en maatschappelijke continuïteit geen rituelen te vinden, dan ben je verdomd onbeschermd. Dan wordt van mensen een veel te grote geëmancipeerde volwassenheid verwacht.” Deze uitspraak onderstreept de bescherming die sociale cohesie kan bieden en wijst daarmee op de noodzaak om aan individuele rouwprocessen een sociaal karakter te verlenen. Tevens bevat zij het bij uitstek individualistische credo dat een 'geëmancipeerde volwassene' eigenlijk zèlf de gevoelens van angst, wanhoop en machteloosheid de baas zou moeten kunnen. Tot nu toe is vooral aan dat ideaal gewerkt, niet aan het scheppen van een ruimer sociaal karakter voor rouwprocessen.

Waar het openbaar uiten van rouwgevoelens wel mogelijk is, bij de uitvaart en in de rouwadvertenties, worden sedert de jaren zestig steeds meer van die emoties intenser en op persoonlijker wijze tot uitdrukking gebracht. Deze ontwikkeling maakt deel uit van een 'emancipatie van emoties' - het sterker toelaten van allerlei gevoelens tot het centrum van de persoonlijkheid, het bewustzijn: emoties zoals angst en wanhoop die eerst taboe waren en uit het bewustzijn en het sociale verkeer waren gebannen, werden daar weer toegelaten. Afweermechanismen zoals ontkennen en verdringen zijn minder gangbaar geworden in de voortgaande oefening in het onder ogen zien en beter aankunnen van die gevoelens. Zo werd de uitvaart expressiever en persoonlijker vormgegeven en ook meer in eigen beheer genomen, terwijl de rouwberichten steeds persoonlijker werden geformuleerd en directer uiting gaven aan rouwgevoelens zoals wanhoop en machteloosheid.

Vanuit het individualistische 'zelf-kunnen'-ideaal krijgen nieuwe experimentele vormen al snel het odium van een geforceerd stel bedachte frasen. Zo opende de journalist Herman van Run vorig jaar in deze krant een aanval op de direct tot de dode en de kring van intimi gerichte rouwberichten. Van Run vond dat zinloos en een overschrijding van “de perken van de goede smaak”. Daarmee ging hij voorbij aan de rechtvaardiging dat zo'n advertentie gevoelens van machteloosheid helpt verdragen, vooral omdat plaatsing van het bericht wordt ervaren als een openbare erkenning van persoonlijke gevoelens die daarmee worden ingebed binnen een groter collectief.

Het belang daarvan blijkt ook uit een plakactie die begin juli van dit jaar in Amsterdam plaatsvond. Overal in de binnenstad (en daarbuiten) zag men A4-tjes met daarop: JIPPERT / TRUE / ANGELS / LEAVE / EARLY / je vrienden. Net als sommige rouwberichten was deze actie inderdaad een persoonlijke gevoelsuiting, maar niet alleen dat. Met hun grootscheepse plakactie hebben deze vrienden een vorm van publieke erkenning van hun verlies afgedwongen en aansluiting gezocht bij een grotere gemeenschap dan de kleine kring intimi waarop zij zich door de vroege dood van hun vriend voelden teruggeworpen. In hun verdriet hebben zij naar verbondenheid met de rest van de samenleving gezocht. Dezelfde behoefte ligt waarschijnlijk ten grondslag aan de recente uitbreiding van de rubriek rouwadvertenties met berichten ter herdenking van iemand die één jaar of vijf jaar geleden is gestorven.

Tot in de jaren zestig heerste er een 'regime van stilte' rond de dood in Nederland: het naderende einde werd als regel niet aan de betrokkenen medegedeeld. Dat zou maar leiden tot een ondraaglijk einde. En ook voor het rouwen gold zo'n regime: “Gedurende de eerste zes weken van zware rouw gaat men nergens heen buitenshuis behalve naar de kerk”, schreef Amy Groskamp-ten Have in haar bekende Hoe hoort het eigenlijk?

Rouwrituelen boden weliswaar maatschappelijke erkenning van het verlies, maar men moest zijn verdriet flink en 'waardig' dragen. Het tonen van verdriet, angst of woede werd opgevat als 'jezelf laten gaan' of 'jezelf laten kennen'. Bovendien: hoe belangrijker de dode, des te uitbundiger de rouw. Op die manier werden rituelen vaak aangegrepen om gevoelens van wanhoop en onmacht te bedekken onder een openbaar vertoon van fatsoenlijke chique.

Naarmate de verhoudingen minder ongelijk werden en de gelijkheidsidealen krachtiger, wekten veel rituelen en andere 'vaste regels' weerzin en verzet, juist vanwege hun psychische en hiërarchische afstandelijkheid. In het proces van informalisering is het openbare leven weliswaar veel persoonlijker en vrijmoediger geworden, maar wat rouwgevoelens betreft zijn de manieren en mogelijkheden om daar uiting aan te geven uiterst beperkt gebleven. Het leven moet vooral dóórgaan.

Hoe star en onpersoonlijk de traditionele rouwrituelen ook waren, ze drongen door in het openbare leven. In dit opzicht is het sociale kader voor rouwprocessen dus verschraald. Dat kan als een vorm van culturele armoede worden getypeerd. Tastbare en duurzame bewijzen van rouw zoals die gedenktegel in Nijmegen zijn als regel uit het openbare leven verbannen. De gemeentelijke overheid heeft daar een uitzondering gemaakt, die als een culturele verrijking kan worden beschouwd.

Daarom dit voorstel aan de Nederlandse overheid: open de mogelijkheid om voor iedere dode een stoeptegel te doen voorzien van een tekst ter nagedachtenis. Al na enkele jaren zullen er dan zoveel tegels met inscriptie zijn dat de herinnering aan de doden en dus ook het 'gedenk te sterven' een dagelijkse ervaring is geworden die zich van het kerkhof naar de straat heeft uitgebreid.

Op deze manier zou het oude regime van stilte rond sterven en rouwen verder worden doorbroken. De doden worden dan weer sterker in het dagelijks leven geïntegreerd en in de kennelijke behoefte van nabestaanden aan meer mogelijkheden tot maatschappelijke inbedding van rouwgevoelens wordt zo voorzien. Schep een modern memento mori!