Spinoza

Als ontdekker van belangrijke tekstfragmenten van Spinoza ben ik de NRC dankbaar, dat ik via een ingezonden brief mag reageren op de melding en pedante afwijzing van mijn bevindingen door een 'expert' (12 okt.).

Steenbakkers denkt mijn 'claim' onderuit te kunnen halen door de kardinale fundering onbesproken te laten en op twee bijzaken in te gaan, t.w. twee leesfouten van ondergeschikt belang en de preprint-idee die geenszins een onmisbare grondslag voor mijn bewering vormt, maar slechts een hulphypothese om de directe aansprekingen en een uitspraak van Spinoza in de ik-vorm te kunnen plaatsen.

Volgens Steenbakkers zouden wij slechts te maken hebben met notities van een latere commentator (zijn het niet drie handschriften?) die over de hele linie afwijzend zou staan tegenover Spinoza's 'filosofie'. Dit is een volslagen onjuiste taxatie. Inderdaad zijn er op tal van details of formuleringen kritische reacties, maar dat betreft in alle gevallen een autogene kritiek op basis van Spinoza's eigen beginselen: “volgens onze beginselen”.

De vriendenkring, die hier bezig is, heeft maar één bedoeling en zorg: lacunes in Spinoza's tekst te verhelpen, zijn fouten te herstellen, zijn stijl te verbeteren. Zij willen hun auteur zo correct en volledig mogelijk aanwezig doen zijn, en gebruiken daarvoor - men kan het op grond van de congeniale inhoud niet anders duiden - wat zij in hun geheugen of via aantekeningen op hun Ethica- of briefkopieën bewaarden.

Niettemin is er één lichtpuntje in de aanval van mijn opponent, namelijk zijn besluit, dat “het gaat om belangrijk tekstmateriaal”. Dit wordt evenwel door zijn voorafgaande betoog slechts voor 0% geschraagd. Ik kan duidelijk maken (de gelegenheid kreeg ik nog niet, ook hier niet), waarom deze uitspraak juist is. In het bovenstaande heb ik zulks slechts in algemene zin gepretendeerd. Om de lezer niet helemaal verbouwereerd en gefrustreerd achter te laten, geef ik hier drie voorbeelden, die overigens uitsluitend in hun totale context gewaardeerd kunnen worden.

1) Axioma 5 van deel 1 stelt dat “dingen die niets met elkaar gemeen hebben, niet door elkaar begrepen kunnen worden...” Hieraan wordt nu via een verwijsteken toegevoegd: “voorzover zij namelijk iets gemeen (commune) hebben, in zoverre zijn zij een en hetzelfde”. Dit wordt geïllustreerd met de lijn ad aldus “a b c d” en “Zo hebben bv. de lijnen ac en bd de lijn bc gemeenschappelijk. Merk hierbij op dat dingen die niets gemeen hebben, niet op elkaar kunnen inwerken...” Dit is uiteraard een verheldering van de realistische inhoud van het besproken axioma. In deel 2 leidt dit tot een herformulering van Lemma 2, nl.: “alle lichamen zijn gedeeltelijk een en hetzelfde. Zie 1/ax.5 en 1/5”. En dit voert vervolgens weer tot een verduidelijking van Spinoza's fysicalistische theologie in 2/37: “dat wat aan alle dingen gemeen is ... constitueert niet het wezen van enig bijzonder ding, maar van het algemene (wezen): god”. We wisten natuurlijk al dat god door Spinoza geïndentificeerd werd met “de vaste en eeuwige dingen” (TIE) of, in onze terminologie, de natuurconstanten. Hier laven wij ons aan dezelfde bron.

2) De slotzin van de Voorrede van deel 4 was een crux voor de commentatoren omdat zij in strijd is met Spinoza's kritiek op het Cartesiaanse inertialisme (die overigens in diverse andere aantekeningen wordt aangescherpt). Spinoza zegt daarin, dat elk ding met dezelfde kracht waarmee het begint te bestaan, altijd in het bestaan zal kunnen volharden. Tegen de achtergrond van bv. 1/24 is dit gewoon foutief en moet de tekst corrupt zijn. Nu echter niet meer, nu eraan wordt toegevoegd: “tenzij die kracht, oorzaak van zijn bestaan aanwezig blijft”.

3) De bespreking van de derde mogelijke doodsoorzaak in 4/20s is, zoals slechts weinigen bekend was, eveneens een corrupte tekst. Er stond: als latente uitwendige oorzaken het lichaam zodanig aandoen en veranderen, dat daarvan in de ziel geen idee kan bestaan. Dit klopt niet omdat van elk lichaam een idee als zijn ziel bestaat, ook van het lijk. Nu wordt de zin verbeterd tot: “dat daarvan geen menselijke of als zodanig beschouwde ziel kan bestaan”. Daarmede is Spinoza's betoog weer consistent.

Samengevat: de handgeschreven bewerking van de Leidse OP is een uiterst belangrijke bron voor een beter begrip van de Ethica. Een teksteditie zonder opname van de talloze correcties en aanvullingen is niet meer denkbaar. Ik heb er vertrouwen in, dat mijn opponent t.z.t. tot ditzelfde inzicht zal geraken.

    • Dr. Wim Klever