Samenwerking in Europese ruimtevaart staat op het spel

ROTTERDAM, 19 OKT. Deze week wordt in het Zuidfranse Toulouse feitelijk besloten over de toekomst van de Europese ruimtevaart, niet veel meer en niet veel minder. Ministers van de ledenlanden van het European Space Agency (ESA), onder wie minister Wijers, zullen zich uitspreken over de Europese deelname aan de constructie van het internationale ruimtestation Alpha, met Amerika en Rusland als hoofdaannemers en Japan, Canada en (mogelijk) Europa als overige deelnemers.

Het 41 ton wegende Alpha-station, dat met al z'n laboratoria, bijstations en antennes een doorsnede krijgt van 110 meter en 60 miljard dollar gaat kosten, moet van november 1997 tot 2002 geleidelijk in de ruimte worden opgebouwd.

Om het hele project hangt trouwens een wat moemakend gevoel van déjà vu. Al in 1985 spraken de ESA-ministers tijdens overleg in Rome enthousiast over een internationaal ruimtestation, dat al in 1994 om de aarde zou draaien. Dat waren de Koude Oorlog-dagen toen er nog een spannende ruimtewedloop bestond met de Sovjets. Het Westerse project moest door budgettaire beperkingen echter steeds worden bij- en uitgesteld.

Ironisch genoeg waren het de Russen die begin jaren negentig het Alpha-project van de ondergang redden. Hoe? Door hun eigen, al vergevorderde, maar in de ijskast geplaatste plannen voor een nieuw ruimtestation in te brengen en daarmee samen met de Amerikanen leidende partners in het Alpha-project te worden. De Russische firma Khrunichev bouwt nu bij Moskou met hulp van het Amerikaanse Boeing en van NASA het zogeheten Functional Energy Block (FGB), zeg maar het centrale deel van het Alpha-ruimtevaartstation van waaruit het hele complex wordt geleid en waar voorraden en brandstoffen worden opgeslagen.

Het FGB, 21 ton zwaar en met de omvang van een autobus, kan door de Russen vrij snel en relatief goedkoop worden aangeboden, omdat het is gebaseerd op het lang beproefde en succesvolle concept van de bemande Russische MIR-ruimtestations. Van de dertig FGB-subsystemen komen er niet minder dan 22 direct van de laatste MIR-versie die nog steeds om de aarde draait. Pikant detail: de Russen ontwikkelen de software bij de door het Amerikaanse Honeywell ontwikkelde FGB-processoren.

De assemblage van Alpha begint in november 1997 met de lancering van het FGB-ruimtevaartuig per Russische Proton-raket vanaf Baikonoer in het zuidelijke buurland Kazachstan. Sinds de onafhankelijkheid van dat land wordt die reusachtige basis, vanwaar in het verleden vele ruimterecords werden gevestigd, voor twintig jaar door de Russen geleased. In de vier jaren na 1997 zullen maar liefst zeven laboratoria, een bemanningsverblijf, verbindingsstukken, antennes en zonnepanelen worden gelanceerd en aan het FGB-station worden gebouwd. Daarvoor zijn in totaal 20 missies van NASA's Space Shuttles nodig, 60 Russische rakettenlanceringen en nog enkele lanceringen met Europa's Ariane-5 raket, die de komende lente voor het eerst wordt gelanceerd vanuit Frans Guyana.

Eerder deze maand keurde het Amerikaanse Huis na een verhit debat een wet goed die NASA toestaat de komende zeven jaar 13,1 miljard dollar in het internationale ruimtestation Alpha te steken. De Senaat moet zich nog uitspreken.

De Europese bijdrage - via het ESA - aan het internationale project is door tanende interesse inmiddels teruggelopen tot 3,6 miljard dollar. Met dat geld wil het ESA de Columbus Orbital Facility (COF), één van de zeven Alpha-laboratoria, voor zijn rekening nemen, alsmede het Automatic Transfer Vehicle (ATV), dat zal helpen bij de bevoorrading van het ruimtestation. Beide worden gelanceerd door Europese Ariane-5 raketten. Over dit alles moeten in Toulouse nu knopen worden doorgehakt. Over twee jaar begint immers al de assemblage van de Alpha met de lancering van het Russische FGB-station.

De Britten, die weinig belangen in het project hebben, vinden het allemaal veel te riskant. Duitsland en Italië hebben beiden het prestigieuze COF laboratoriumproject onder handen, terwijl Frankrijk het ATV transporteurproject leidt en de grootste bijdrage levert aan de Ariane-5 lanceerraket.

Vorige maand wisten de ESA-leden een voorlopig compromis uit te werken volgens welk de in de eerste vier jaar benodigde Europese bijdrage van 1,8 miljard dollar als volgt wordt verdeeld: Duitsland 780 miljoen, Frankrijk 520 miljoen, Italië 400 miljoen en Nederland, België en Spanje ieder 33 miljoen dollar. Maar kort voor het begin van het beslissende ESA-overleg in Toulouse zette Italië alles weer op losse schroeven met de melding dat het slechts 180 miljoen dollar voor medewerking aan Alpha over heeft. Frankrijk en Duitsland mogen van Rome bijspringen. De Franse technologie-minister Francois Fillon zei vorige week in Le Monde echter dat daarvan geen sprake kan zijn.

Dat zou het einde zijn van de Europese ruimte-inspanning in ESA-verband. En de kans is dan groot dat de afzonderlijke landen met hun eigen projecten verder gaan, zoals Frankrijk met zijn succesvolle Ariane-project en Duitsland met de bouw van het COF-laboratorium.