Ruisende rokken in Utrecht; De kunst van het kostuums bewaren

Menige museumdirecteur is zijn kostuumcollectie liever kwijt dan rijk. Kleren zijn immers lastig op te bergen, motgevoelig en kwetsbaar. De Neder- landse Kostuum- vereniging, die zich inzet voor het behoud van oude kostuums, viert haar vijftienjarig bestaan met een tentoonstelling in Utrecht.

Symposium ter gelegenheid van het 15-jarige bestaan van de Nederlandse Kostuumvereniging voor Mode en Streekdracht op 20 en 21 okt in de Geertekerk, Geertekerhof 23 te Utrecht. Inl 03434-52461. Eind nov verschijnt de feestbundel Kostuumverzamelingen in Beweging (ƒ 45,-) met een volledige lijst van alle voor het publiek toegankelijke kostuumverzamelingen.

Ruisende rokken, Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht. T/m 10 dec. Inl 030-2362362.

Soms zie je ze in musea of op symposia rondlopen: vreemd uitgedoste mensen in korsetten, poffers, kraplappen en mitaines. Het zijn de leden van de Nederlandse Kostuumvereniging voor Mode en Streekdracht, die trots hun authentieke kostuum of streekdracht aan het publiek presenteren. Veel onderdelen van hun outfit hebben ze op rommelmarkten en ruilbeurzen bij elkaar gescharreld. De rest is nagemaakt van historische modeprenten, of komt gewoon uit grootmoeders linnenkast.

De gemiddelde Nederlander weet bar weinig over zijn nationale en regionale kostuum. Meer dan de helft van de mensen draagt tegenwoordig een uniforme spijkerbroek, en dat bevordert niet bepaald de kennis over de vroegere variëteit in kleding. Zo zullen maar weinigen zich realiseren dat een Spakenburgse vrouw de beschikking heeft over 300 verschillende combinaties in haar traditionele streekdracht. Ook zij staat dus iedere ochtend voor de kleerkast met het dilemma: wat nu weer aan te trekken?

De Nederlandse Kostuumvereniging, een platform voor contacten tussen de professional en amateur, viert dit jaar haar derde lustrum. Genoeg reden om deze week met een symposium en een feestbundel extra aandacht te schenken aan 'het documenteren, verzamelen en presenteren van kostuums in Nederland'. Juist daartoe werd de vereniging in 1980 ook opgericht. Centraal stonden destijds vragen als: waarom veranderde mode en streekdracht, en welke maatschappelijke of culturele invloeden speelden daarin een rol? Kostuumgeschiedenis bleek een braakliggend terrein van onderzoek, want in musea en wetenschap vormde kleding vrijwel altijd de sluitpost van de begroting. “Er zijn heel wat museumdirecteuren die hun kostuumcollectie liever kwijt dan rijk zijn”, vertelt Willemien Reinking, voorzitster van de vereniging. “Kleren zijn immers vaak moeilijk op te bergen, motgevoelig, en kwetsbaar.”

Gaandeweg werd de Kostuumvereniging een organisatie met vier studiedagen per jaar, een informatiebulletin en het jaarboek Kostuum. De vereniging heeft zo'n 700 leden, waaronder museummedewerkers, particulieren, onderzoekers en iedereen die in de ruimste zin van het woord geïnteresseerd is in oude textilia. De jongste verzamelaar is 16 jaar, en zal op het symposium morgen ook een praatje houden. Onderwerpen die de komende twee dagen ter sprake zullen komen zijn: welke functies heeft kleding in living history-presentaties,zoals die in het Zuiderzee Museum? Is het gebruik van replica's verantwoord? En: wat is er met de plannen voor een Nationaal Presentatiepunt voor Mode en Kostuums gebeurd?

Die plannen ontstonden na de commotie rond het voornemen van Rudi Fuchs om de kostuumafdeling van zijn Haags Gemeentemuseum op te heffen. De opheffing is inmiddels van de baan, maar de discussie over de status en het functioneren van de verschillende kostuumafdelingen is wel flink aangewakkerd. Een en ander mondde uit in het voorstel van Sjarel Ex, directeur van het Centraal Museum te Utrecht, voor het oprichten van een 'Nationaal Presentatiepunt voor Mode en Kostuums'. Een lonkend perspectief, dat tegelijkertijd Ex de gelegenheid bood de totale Utrechtse kostuumcollectie (waarvan het exposeren voor hem toch geen 'prioriteit' had) aan dit centrale presentatiepunt over te dragen.

Dat voorstel lijkt inmiddels een zachte dood te zijn gestorven, wegens gebrek aan sponsorgelden en en van kleren. De reacties uit het bedrijfsleven bleven nogal lauw vanwege de slechte omzetcijfers in de kledingindustrie. Bovendien bleek ineens dat geen van de andere musea zat te springen om zijn afdeling af te stoten of in bruikleen te geven aan een nieuw instituut.

In dit licht bezien is het opmerkelijk dat het Centraal Museum momenteel een groot deel van zijn kostuumverzameling als een publiekstrekker voor het voetlicht brengt. En dat laatste moet zeer letterlijk worden opgevat, want het museum heeft een operaregisseur in de arm genomen om de kleding op een theatrale manier te exposeren. De onlangs geopende tentoonstelling Ruisende rokken heeft dan ook de dramatiek van een Visconti-film: schijnwerpers met kaarslicht-effect laten pailletten en bergkristallen nog eens extra fonkelen; een berg herfstbladeren rondom een Worth-creatie verwijst naar het ruisen van de rokzomen in de vorige eeuw, en quasi-nonchalant ingerichte vitrines geven het gevoel alsof je rondkijkt op de rekwisieten-afdeling van de BBC waar alles klaarligt voor de volgende scène.

De Utrechtse kostuumexpositie biedt veel kijkgenot maar weinig informatie. De enorme ruimte, waarin de tentoonstelling is ondergebracht, is sporadisch gelardeerd met korte teksten, die voor de gemiddelde bezoeker soms wel erg technische details bevatten. Verder ontbreken relevante tijd- en plaatsbepalingen en een echte catalogus. De opstelling, die de kostuumgeschiedenis omvat van een baljapon uit 1757 tot hedendaagse ontwerpen van Fong Leng en Frank Govers, getuigt van een sprookjesachtige rijkdom, maar is, zoals een bezoeker van de tentoonstelling opmerkte, “niet het doorsneebeeld van wat mensen vroeger droegen”.

Ook kun je hier en daar vragen stellen bij de presentatie. Zo hangen aan het begin van de expositie enkele jurken uit de achttiende en negentiende eeuw aan een zwevend mobiel, hoog boven het plebs - een presentatie die overigens doet denken aan Jiri Kylians ballet Sarabande. De kleding valt hierdoor niet alleen ten prooi aan licht en stof, er is tevens geen enkel detail van beneden te zien. Volgens de thans geldende ethische normen voor de omgang met textiel moeten historische kostuums bovendien zoveel mogelijk in hun waarde worden gelaten, en zijn ze niet bedoeld om er van onderen in te kijken.

De modeshow van kleding uit de museumcollectie, die vorige week werd gehouden, is in vakkringen zelfs zeer omstreden. Sytske Stratenus, restaurator en bestuurslid van de Nederlandse Kostuumvereniging, meent dat zo'n voorstelling eigenlijk onverantwoord is. “Het zijn unieke exemplaren, die nooit meer terugkomen. Die moet je voor het nageslacht bewaren. Wat iemand met een privé-collectie doet, is natuurlijk zijn of haar zaak. Maar ook de particuliere verzamelaars gebruiken voor hun shows meer en meer versleten stukken of replica's.” Aan de andere kant ziet ze ook wel dat een replica een dood geval blijft: “Zo'n kostuum heeft niet geleefd, is niet echt gedragen.”

En het moet gezegd: de videopresentatie op de tentoonstelling bewijst dat kleren niet alleen de man maken maar de man ook de kleding. Terwijl een crinoline op een pop eruit ziet als een duffe theemuts, zwiert zij op een mens van vlees en bloed vrolijk van links naar rechts. Dan spreekt een ruisende rok voor zichzelf.

    • Joanita Vroom