In Liefde Bloeyende

GEVAARLIJKE DINGEN

Gevaarlijk is de flikkerdolk

Des wreden woestijniers;

De tand der gladde ratelslang

De klauw des lammergiers.

Gevaarlijk is de fulpen poot

Der sluwe tijgerkat;

Des weerwolfs uitgevast gebit

Op 't nachtlijk winterpad.

Gevaarlijk is het beetvenijn

Des Nijlkameleons

De witbeschuimde, gruwbre muil

Des waterschuwen honds.

Gevaarlijker, verschrikk'lijker

In dees beleefde tijd

Is 't honingzoete bloemengif

Het gif van godsdienstnijd.

Daartegen schut geen zieledeugd

Wast kruid noch medicijn:

Het beste is dat men 'dank-je' zeit

En schatert van de pijn.

H. Binger (1824-1890)

't Geslaagde van dit negentiende-eeuwse gedicht is dat het sprekend lijkt op een geslaagde pastiche van een negentiende-eeuws gedicht. Op eendere manier zou, in elk geval wat de eerste drie strofen betreft, Hendrik de Vries Bilderdijk kunnen naronken. Het zou in zijn geheel als een onecht kindje ondergeschoven kunnen worden tussen het kroost van onze twee andere grote pasticheurs van negentiende-eeuwse poëzie, Geerten Gossaert en N.E.M. Pareau, zonder dat iemand het zou merken.

Verre, oever tot oever, scheidde ons

'T ziltige zwin en het zwalpend tij;

Wie door de storm en de stroom geleidde ons?

'Enkel een ster, tussen u en mij'

dichtte Gossaert. Het ziltige zwin en het zwalpend tij, zo spreekt geen twintigste-eeuwer, zelfs geen twintigste-eeuwse dichter. Het is de fulpen poot en het uitgevast gebit van Binger.

Het beetvenijn des Nijlkameleons!

Zo sprak zelfs geen negentiende-eeuwer, zijn we geneigd te denken. Het is of Binger met vooruitziende blik in Gossaert heeft gelezen -

Mijn lief heeft wisselkleed

Van sindel noch sameet

- niet alleen voor wat de woordkeus betreft, maar ook voor de ironische ondertoon. Bij Pareau zorgen die woordkeus

Ik zag een ros in 't vochtig bos

voortsnellen door 't struweel en zonder

de draf te tomen. 't Hoefgedonder

wordt gans gedoofd van dompig mos

samen met zijn ingehouden spot voor een surrealistisch geheel - zelfs dit surrealisme blijkt zich met terugwerkende kracht in Gevaarlijke dingen te hebben genesteld. De flikkerdolk en de waterschuwe hond hebben op mij tenminste een zeer beeldende uitwerking.

De sarcastische slotregels van Bingers gedicht hebben uiteraard iets Piet Paaltjensachtigs - en welke andere negentiende-eeuwse dichter dan Piet Paaltjens heeft het einde van de twintigste eeuw gehaald? - maar we kunnen ze met gemak ook dadaïstischer lezen, ongeveer als de uitsmijter van het versje van Jopie Breemer over Michiel de Ruyter.

Hij won maar altijd door

En hij verloor ook nooit

kortom, het verleden imiteert hier het heden.

Elk ingrediënt van dit hoogst serieus bedoelde gedicht werkt mee aan de indruk van een bedriegertje. Dat de climax - gevaarlijk, gevaarlijk, gevaarlijker - het zelf-parodiërende gehalte vergroot vergat ik nog.

Een moderne pastiche, evenwel, wordt gekenmerkt door een combinatie van oud en nieuw. Bilderdijk op de fiets. Vondel in een Zeppelin. Een maanreis in de trant van Hooft. Ook aan die eis komt Gevaarlijke dingen ruimschoots tegemoet. Het onderwerp - godsdienstnijd - zou je toch actueel mogen noemen, op wereldwijde schaal zelfs. En het cynisme van de conclusie, om daar nog eens op terug te komen, lijkt me modern genoeg, om niet te zeggen post-modern. Hier moet een tijdgenoot van ons op een museale lier hebben getokkeld. Iemand die zijn Paaltjens, Gossaert en het tv-journaal kende.

Dat alles terwijl het gedicht toch echt in de negentiende eeuw is geschreven.

In Gevaarlijke dingen zijn het origineel en het artefact volledig samengevallen.

    • Gerrit Komrij