Hoge Indonesische militairen oneens over 'communisten'

JAKARTA, 19 OKT. Luitenant-generaal Soedibjo vond het blijkbaar welletjes. Het hoofd van de Indonesische inlichtingendienst, die zich doorgaans ophoudt achter de schermen, trad deze week naar voren om een collega de les te lezen en zijn landgenoten gerust te stellen. In een lang vraaggesprek het het weekblad Tiras weerlegt hij de jongste bewering van een andere drie-sterren-generaal, Soeyono, dat het 'communisme' in Indonesië 'springlevend' is. Diens beschuldiging dat drie prominente dissidenten “verkapte communisten” zouden zijn, acht de inlichtingenchef “vooralsnog onbewezen”.

Begin deze maand, tijdens de dertigste herdenking van de mislukte coup van linkse officieren op 1 oktober 1965, riep president Soeharto het Indonesische volk op tot “waakzaamheid voor een herleving van het communisme”. Hij waarschuwde dat deze ideologie zich “kan manifesteren zonder vaste organisatorische vorm”. Of Soeharto actuele verschijnselen op het oog had, was niet duidelijk.

Eerder deze week situeerde luitenant-generaal Soeyono, chef-staf algemene zaken van de ABRI, het gevaar in het heden. De generaal repte van “activiteiten die het onmiskenbare stempel dragen van de PKI”, de in 1966 verboden communistische partij van Indonesië. “De organisatievorm verandert voortdurend, maar de mensen op de achtergrond zijn steeds dezelfde”, zei de generaal. Hij noemde drie namen: de schrijver Pramoedja Ananta Toer, de vakbondsleider Muchtar Pakpahan en de kritische politicoloog George Aditjondro. Hij repte van “communisten nieuwe stijl”, die zouden aansturen op omverwerping van de regering “onder de dekmantel van democratie en mensenrechten”.

Zijn aantijging kreeg bijval van andere legerofficieren, maar maakte boze reacties los bij organisaties voor de rechten van de mens. Het weekblad Tiras (Oplaag) vroeg deze week per fax een interview aan met inlichtingenchef Soedibjo. Die bleek meteen beschikbaar en ontving de interviewers in gezelschap van vier stafleden, onder wie drie hoge officieren.

Soedibyo valt met de deur in huis: “Zo'n oproep tot waakzaamheid is algemeen bedoeld en past in het kader van de herdenking van 1 oktober 1965. De actuele situatie geeft geen aanleiding tot dergelijke waarschuwingen.”

De recentelijk in legerkringen veel gebezigde term 'vormloze organisaties' slaat volgens Soedibjo niet op bestaande clubs, maar zou een bijna dertig jaar oud concept zijn uit PKI-koker. “Toen de laatste resten van het ondergrondse communistische verzet in 1968 waren opgeruimd”, zegt hij, “kwamen de resterende kaders overeen om de strijd voort te zetten in andere organisaties. Welnu, dat voornemen van toen noopt ons nog steeds tot waakzaamheid, maar ik bespeur in dit verband geen actuele gevaren.”

Over de door collega Soeyono gehanteerde term 'communisten nieuwe stijl' - de Indonesische afkorting luidt KGB - zegt Soedibyo: “Dat begrip komt niet voor in onze analyses en ik ben het nog nooit tegengekomen in regeringsstukken.” Soedibyo ontkent dat de dissidenten Pakpahan, Ananta Toer en Aditjondro geregistreerd staan als communisten.

Op de vraag of in de vele niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die in Indonesië opkomen voor milieubehoud, vrouwenemancipatie, bescherming van grondrechten en betere arbeidsvoorwaarden sprake is van communistische ondermijning antwoordt de generaal: “Dit land kent vele duizenden NGO's. Verreweg de meeste houden zich keurig aan hun doelstelling. De clubs met een verborgen politieke agenda vormen nog niet één procent.”

    • Dirk Vlasblom