Gruwelfotograaf Peress: 'Vergeten is de vloek van onze tijd'

Gruwelfotograaf, zo wordt de Fransman Gilles Peress genoemd. Zijn foto's zijn in de loop der jaren steeds harder en directer geworden. Dat heeft te maken met zijn steeds pessimistischer wordend wereldbeeld. “Waar je ook kijkt, overal steekt het 'Haat uw naaste' de kop op”, zegt hij. Zondag ontving hij in Essen de Heinrich Salomon prijs voor zijn foto's van Rwanda en Bosnië.

Tentoonstelling: Gilles Peress: The Silence, t/m 19 november. In: Folkwang Museum, Goethestrasse 41, Essen. Geopend: di t/m vrij 10-18, za en zo 10-19

Boeken: Gilles Peress: The Silence (ƒ 56,70 gulden) en Farewell to Bosnia (ƒ 110,05 gulden)

De VPRO zendt maandag 23/10 op Ned 3 een interview uit met Gilles Peress

ESSEN, 19 OKT. Welke werkelijkheid gaat er schuil achter het woord gruwelijk? De foto's die Gilles Peress in 1994 maakte in het slachthuis Rwanda laten niets aan duidelijkheid te wensen over: opengereten lichamen in een misselijk makende smurrie, een handvol ribben aan een ruggegraat, rottende lijken overdekt met vliegen, hier verpakt in lappen stof langs de kant van de weg, daar achteloos door bulldozers bijeengeveegd. Eveneens vorig jaar fotografeerde hij de oorlog in Bosnië, waar hij foto's maakte die in hardheid nauwelijks onderdoen voor die uit Rwanda.

“Allesbehalve fatsoenlijk”, geeft de Franse, in Amerika woonachtige Peress direct toe. “En soms verbaas ik me er zelf over. Dan kijk ik thuis naar een foto en denk - hoe kón ik? Hoe zit ik eigenlijk in elkaar, dat ik zoiets doe?”

Peress is achtenveertig. Een kleine, charmante man met vriendelijke bruine ogen en een zachte maar besliste stem. Necrofiel is hij inmiddels genoemd, en pornograaf van de gruwel - extreme foto's roepen extreme reacties op. Merkwaardig toch, zegt hij: “Hoe kan iemand toch denken dat ik dat wat ik fotografeer leuk vind?”

Hij verblijft enkele dagen in het Duitse Essen waar hij jongstleden zondag de jaarlijkse Erich Salomon-prijs voor humanistische fotografie in ontvangst nam, een prijs die eerder werd uitgereikt aan onder meer Don McCullin, Sebastiao Salgado en de Zuidafrikaan Peter Mugabane.

Ter gelegenheid van de onderscheiding organiseert het Folkwang Museum een tentoonstelling van Peress' Rwanda-foto's, onder dezelfde titel als het boek dat hij eruit samenstelde: The Silence. Het is een nogal ongebruikelijke expositie. Tien foto's hangen er met pushpins tegen de muur. Daaronder is een lange houten plank gespijkerd waarop honderdvier exemplaren van het boek in een rij naast elkaar zijn gezet, telkens opengeslagen op de volgende bladzijde.

Peress heeft duidelijk geen boodschap aan de museale traditie van keurige prints in smetteloze passepartouts en lijstjes: “Dan gaat het maar al te snel weer over stijl en compositie en lichtval, en niet over de inhoud.” Hij beschouwt zichzelf daarom ook liever niet als fotograaf: “Ik ben een ooggetuige. Ik wil rauwe ervaring doorgeven. Mijn foto's zijn anti-fotografie.”

Peress studeerde politicologie en filosofie onder Michel Foucault in de hoogtijdagen van het studenten-radicalisme, en leverde zijn 'revolutionaire bijdrage' door te gaan werken in een autofabriek. Het opende hem de ogen voor de kloof tussen praatjes en praktijk, en leverde hem een hartgrondige afkeer op van abstract en versluierend taalgebruik. Pas toen hij de fotografie ontdekte kon hij 'de realiteit weer recht in de ogen zien.'

Zijn eerste reportage maakte hij in 1970 over de naweeën van een mislukte mijnwerkersstaking: “Dat de strijd van de arbeidersklasse ook op een fiasco uit kon lopen, hadden de heren professoren nooit verteld.” Hij nam de foto's mee naar het befaamde fotografencollectief Magnum. Henri Cartier-Bresson had aan één oogopslag genoeg. Twee jaar later werd Peress uitgenodigd aspirant te worden, weer twee jaar later was hij volwaardig lid.

Voor Magnum maakte hij diverse reizen naar Noord-Ierland. Hij fotografeerde op Bloody Sunday en tijdens de hongerstakingen, legde het genadeloze optreden van het Britse leger vast, en de terreur van de IRA en het UDF. Zijn doorbraak kwam echter in 1980 met de reportages die hij maakte in Iran, toen hij ten tijde van de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran fotografeerde (in 1984 in boekvorm gepubliceerd onder de titel Telex: Iran).

Peress beaamt dat zijn foto's in de loop van die jaren steeds rauwer en directer geworden zijn. Dat heeft niks te maken met de wereld zegt hij, maar alles met zijn steeds pessimistischer geworden wereldbeeld. Peress: “Met de afloop van de Koude Oorlog zou een nieuwe, vreedzamer wereldorde ontstaan. Maar ik zie precies het tegenovergestelde: een Darwiniaans territoriumgevecht waarin alleen het recht van de sterkste telt. Waar je ook kijkt, overal steken nationalisme en rascisme de kop op. Haat uw naaste! Ik vind het beangstigend.”

Vooral zijn ervaringen in Bosnië waren cruciaal, aldus Peress. “Bosnië is de Spaanse Burgeroorlog van deze generatie. Het bestaansrecht van de multiculturele maatschappij, daar gaat het nu om. In de jaren dertig hebben we gefaald en geen duidelijke keuze tegen het kwaad gemaakt. Nu kunnen we het goed maken, en wat zie je? Hetzelfde halfslachtige, krachteloze gedraai van de internationale gemeenschap. Safe areas instellen en ze vervolgens aan hun lot overlaten, die hypocrysie. Het is net als toen. Je kunt dat cynisch noemen als je wilt. Ik noem het realisme.”

Zeker, hij zou ook best vrolijkere, hoopvollere plaatjes kunnen maken. Ook in Rwanda houden moeders van hun kinderen. In Bosnië slaat niet iedereen zijn buurman de hersens in, in Sarajevo wordt zelfs aan toneel gedaan. “Het is goed en ik heb er respect voor. Maar wat is het effect van dat soort foto's? Gelukkig, het valt wel mee. Ik vindt het griezelig te zien hoe snel mensen menen het kwaad te moeten vergeten. Daar verzet ik me tegen. Het grote vergeten - dat is de vloek van deze tijd.”

Over hoe zijn werkdagen op de dodenakkers van Nyamata of Mostar eruit zagen en de inspanning die het kostte om te kunnen fotograferen, wil hij niet praten. Hij is niet iemand die kickt op het jachtige leven van de internationale fotojournalist, en spannende anekdotes zijn van hem allerminst te verwachten. Sterker nog, hij heeft dezelfde schizofrene houding ten opzichte van zijn werk die je aantreft bij menig collega in de horror-business: hij haat datgene waarin hij goed is. Peress: “Het is lijkenpikkerij. Met pikwarte camera's en pikzwarte lenzen cirkelen we boven het slagveld. Ik ook. Ik ben getuige: klik-klik-klik. Maar verder doe ik niks. Ook aan mijn handen kleeft bloed.”

Nog dit jaar wil hij terug naar Rwanda om er in de gevangenissen de mensen te fotograferen die vastzitten op verdenking van deelname aan de massaslachtingen. In Bosnië wil hij het resultaat vastleggen van de inmiddels vrijwel voldtooide 'etnische schoonmaak'. Het moet opnieuw twee boeken opleveren, want dat is volgens Peress het medium voor dit soort reportages geworden. “Goede tijdschriften zijn er bijna niet meer, en wat er over is, staat in het teken van gladde plaatjes en vertier.” In de loop van het jaar verschijnt eveneens Power in the Blood, de 'reis door de ziel van het gekkenhuis dat Noord Ierland heet' waaraan hij bijna vijfentwintig jaar heeft gewerkt.

Kun je met foto's of boeken iets veranderen? Peress haalt zijn schouders op. “Het is een academische discussie. Hoe kun je überhaupt de werkelijkheid veranderen als je niet eens weet hoe die er uit ziet?”

De Erich Salomon-prijs bestaat uit een eervolle vermelding en een Leica. Een pikzwarte, met een pikzwarte lens.

    • Eddie Marsman