Gouden Leven

TOEZICHT OP financiële instellingen is een even gevoelig als lastig probleem. Te veel toezicht op banken, effectenbedrijven of verzekeraars kan hun bedrijfsmatige slagkracht aantasten, te weinig toezicht kan leiden tot onverantwoordelijke situaties waarin rekeninghouders, spaarders, beleggers of premiebetalers buiten hun schuld hun geld kwijt raken. Toezicht moet garant staan voor een solide financiële bedrijfstak, maar kan in laatste instantie niet verhinderen dat financiële ondernemingen het loodje leggen. In een markteconomie gaan bedrijven soms onderuit door mismanagement of door verkeerde prijsstelling. Toezichthouders fungeren niet vanzelfsprekend als 'lender of last resort', als vangnet in geval van faillissement. Dan zou het ondernemersrisico immers worden weggenomen.

Financiële instellingen zijn een slagje anders dan produktiebedrijven. Ze werken met andermans (spaar)geld en dat vraagt om een uitzonderlijke betrouwbaarheid. Bovendien kan het bankroet van een grote financiële instelling leiden tot een kettingreactie van paniek in de financiële markten waardoor gezonde bedrijven worden meegesleurd in de val. Voorkoming van dit 'systeemrisico' is ook een van de taken van de toezichthouders.

TWEE JAAR GELEDEN ging een kleine, agressieve verzekeringsmaatschappij, Vie d'Or, bankroet door mismanagement en malversaties. Van een systeemrisico was geen sprake, wel leden elfduizend polishouders een forse persoonlijke financiële strop waarvoor geen garantiefonds bestaat. Van meet af aan waren er twijfels over de doortastendheid van het optreden van de Verzekeringskamer, de toezichthouder op de bedrijfstak. Een rapport van een parlementaire commissie onder leiding van D66-Kamerlid Ybema, dat deze week is gepubliceerd, concludeert dat het toezicht van de Verzekeringskamer niet voldoende is geweest. Dat is een vriendelijk verpakt maar hard oordeel. De Verzekeringskamer, een stichting op afstand van de overheid, heeft in de affaire-Vie d'Or niet uitgeblonken in daadkracht.

Minister Zalm (financiën) wil van de gelegenheid gebruikmaken om de greep van de overheid te versterken op de financiële toezichthouders - naast de Verzekeringskamer ook De Nederlandsche Bank op het bankwezen en de Stichting Toezicht Effectenverkeer op effectenmakelaars. De aanscherping van het ministeriële toezicht op de toezichthouders krijgt iets van het 'Droste-effect' met het perspectief van de verpleegster waaraan nooit een einde komt. Waar het om gaat is dat de toezichthoudende instantie zelf sterk en onafhankelijk is, en lef heeft om in voorkomende gevallen hard en doortastend op te treden.

SLAGVAARDIG TOEZICHT is van het grootste belang voor een gezonde financiële sector en voor het vertrouwen van het publiek in het bankwezen, de verzekeringsmaatschappijen en de effectenbedrijven bij wie het zijn geld in beheer geeft. De toetsing van de kwaliteit van het management, de deugdelijkheid van de aangeboden financiële produkten en de beschikbaarheid van toegankelijke informatie over de bedrijfsvoering zijn daarbij onmisbaar. Toezicht schept verwachtingen dat het naar behoren wordt uitgevoerd. Niet voor niets bestaat in het bankwezen de garantie dat rekeninghouders bij een faillissement tot een bedrag van 45.000 gulden schadeloos worden gesteld. Dat werkt ook als golfbreker tegen onbezonnenheid en een dergelijke regeling zou in de verzekeringsbranche niet misstaan.

Maar er kan nog zoveel toezicht bestaan, dit kan nooit sluitende garanties geven dat zich nooit meer affaires zoals bij Vie d'Or zullen voordoen. Uiteindelijk geeft het oordeel van de klanten over de levensvatbaarheid van financiële instellingen de doorslag. Het blijft een kwestie van vertrouwen en toezicht is geen ander woord voor vangnet.