Geloofwaardigheid Greenpeace aangetast door studie Brent Spar

LONDEN, 19 OKT. De vertegenwoordigers van Greenpeace UK trokken er gisteren op hun eigen persconferentie maar een dapper gezicht bij. Het was een goed ding dat nu eindelijk duidelijkheid was ontstaan over de milieugevaarlijke stoffen aan boord van de Brent Spar, maar eigenlijk waren precieze hoeveelheden vanaf het eerste begin een non-issue geweest. 5000 ton olie (Greenpeace) of 50 ton (Shell). Het was Greenpeace in de acties tegen dumping steeds gegaan om het principe: afzinken of niet en de precedentwerking. En wat dat betreft was de grote winst van de voorafgaande persconferentie dat Shell nu eindelijk had toegezegd definitief van afzinken af te zien.

Maar de enkele journalist die Shell op de eerdere persconferentie daarover met geen woord had horen reppen, daarover ook niets in het uitgereikte persbericht kon vinden en dus opnieuw contact zocht met de oliemaatschappij, kreeg van woordvoerder Eric Faulds te horen dat er geen sprake van was dat Shell definitief van afzinken afzag. Shell UK houdt vooralsnog alle opties open, de optie dumpen wordt niet verder onderzocht omdat deze optie al helemaal ìs onderzocht.

Voor het overgrote deel van de buitenlandse pers was duidelijk dat Greenpeace gisteren moeilijke ogenblikken doormaakte. Het Noorse onderzoeksbureau Det Norske Veritas (DNV), dat in juli van Shell de opdracht had gekregen opnieuw een overzicht te maken van de milieugevaarlijke stoffen in de Brent Spar, maakte bekend dat Shell een redelijke indruk had gegeven van die stoffen. De analyses van DNV kwamen hier en daar wat ongunstiger uit dan die van Shell maar het omgekeerde kwam net zo goed voor. DNV schat dat er 75 tot 100 ton koolwaterstoffen (olie en was) is achtergebleven, Shell kwam op ongeveer 50 ton uit omdat de olie in pijpleidingen over het hoofd was gezien. Ook had DNV meer 'sludge' (modderachtig bezinksel) aangetroffen, maar dat zat hem vooral in de slechte definitie van sludge. De verrassende DNV-vondst van 6 tot 8 kilo pcb's bleek terug te voeren op de 250 armaturen van de TL-verlichting op het platform.

Executive vice-president Ole-Andreas Hafnor van Det Norske Veritas legde uit dat je bij een onderzoek aan zo'n unieke en complexe installatie eigenlijk nooit meer dan een ruwe schatting kunt maken van de hoeveelheden milieugevaarlijke stoffen. Impliciet maakte hij duidelijk dat het onjuist zou zijn te concluderen dat Shell en Greenpeace er allebei naast hadden gezeten, de een een beetje meer dan de ander. Shell had een professionele prestatie geleverd, Greenpeace had met zijn bewering dat er wel 5000 ton olie in de Brent Spar was achtergebleven 'grote interpretatiefouten' gemaakt.

Overigens heeft Greenpeace al op 4 september schriftelijk excuses aangeboden voor deze uitglijder. Op dat moment had dat nog een spontane daad van zorgvuldigheid geleken, gisteren onstond enigszins de indruk dat het - ongetwijfeld indringende - interview dat experts van DNV op 11 augustus met Greenpeace over de kwestie hebben gehad de milieu-organisatie geen andere keus meer liet.

Niet bekend

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Greenpeace bij de bezetting van de verlaten Brent Spar op 30 april nog geheel af ging op de lijst van milieugevaarlijke stoffen die Shell zelf had opgesteld. In het besluit om tot actie over te gaan heeft de vermeende hoeveelheid van 5000 ton olie dus geen rol gespeeld. Toen Greenpeace halverwege mei, op grond van een eigen, maar onjuiste bemonstering, de indruk kreeg dat heel veel olie was achtergebleven is dit vermoeden zonder veel voorbehoud verspreid. Het getal 5000 ton is voor het eerst gebruikt in een brief aan Shell die op 19 juni arriveerde: de dag voor het historische besluit om alsnog van afzinken af te zien.

Voor Shell bracht de persconferentie van Det Norske Veritas vooral eerherstel. Maar wie tussen de regels van de verschillende persverklaringen las vond toch nog wel het een an ander om de wenkbrauwen bij te fronsen. Het overzicht dat DNV gaf van de milieugevaarlijke stoffen aan boord van de Brent Spar onderstreept nog eens wat al uit de lijsten van Shell zelf was duidelijk geworden: het merendeel van de gevaarlijke stoffen is aanwezig in apparatuur en instrumentarium dat zonder veel inspanning is te verwijderen. Nikkel en cadmium in batterijen, aluminum en zink in de beschermende anodes, koper in de elektrische bekabeling, pcb's in de armatuur van de verlichting, kwik in de lampen. Het roept de vraag op waarom Shelle deze apparatuur niet gewoon verweiderde voor ze de Brent Spar wilde dumpen.

Een ander punt is de verklaring voor de grote hoeveelheid 'sludge' (bezinksel) in twee van de zes opslagtanks die de Brent Spar bezit. Het betreft de twee tanks die kort na de plaatsing van de Brent Spar in 1976 beschadigd raakten. De sludge bestaat, schrijft Shell, waarschijnlijk voornamelijk uit de resten van marien aangroeisel. De kapotte tanks stonden immers 'in open verbindig met de zee'. Het blijkt dat de beschadigde tanks, waarin slechst mondjesmaat olie kon worden gebracht, nooit gerepareerd zijn. Vijftien jaar lang is een opslagplatform in gebruik gehouden dat veel van ontwerpsterkte had verloren.

    • Karel Knip