Jury-rechtspraak houdt de waarheid verborgen

In Parijs stond een man voor zijn rechters, verdacht van het vermoorden van zijn ex-vrouw. Motieven waren er in overvloed, maar de bewijzen waren vrij dun: een schoenafdruk in de tuin en een paar vingerafdrukken binnenshuis en nog zo wat aanwijzingen. Wat de zaak tot een bijzondere maakte, was dat het lijk van de vrouw nimmer was gevonden. In haar huis waren bloedsporen aangetroffen die naar buiten leidden. Dat was alles. Hoewel niemand eraan twijfelde dat de vrouw door geweld om het leven was gekomen, had men het zoeken naar haar lijk uiteindelijk moeten opgeven.

De advocaat was een redenaar met die bijzondere balie-welsprekendheid die men tegenover jury's nogal eens kan beluisteren, bekwaam in “the art of misleading an audience without actually telling lies”, zoals Stephen Potter dit soort pleidooien karakteriseert. De advocaat trachtte in zijn betoog alle tegen zijn cliënt ingebrachte bewijzen te kraken, tot hij uiteindelijk toekwam aan het klapstuk van zijn pleidooi. Hoe wist men eigenlijk dat de vrouw dood was? Voor haar dood was niet het minste bewijs voorhanden. Misschien was zij bij voorbeeld tegen haar wil ontvoerd en daarbij gewond geraakt. Misschien was zij nog in leven en nieuwsgierig hoe “haar” strafzaak wel zou verlopen. “Ja, dames en heren, leden van de jury, ik heb u dat niet eerder kunnen voorhouden, maar hebt u zich wel eens afgevraagd, hoe waarschijnlijk het is dat de vrouw daar boven gewoon op de publieke tribune zit en naar u zit te kijken.”

Op dit culminatiepunt van zijn betoog hief de advocaat met een breed gebaar zijn linkerarm naar boven, naar de publieke tribune. En allen in de zaal, inclusief de leden van de jury volgden met hun blik het armgebaar van de advocaat. Op de aangegeven plaats zag men evenwel slechts het rijtje sjofele mannen, dat daar dagelijks beschutting zocht tegen de winterkou. En de advocaat sprak: “Dames en heren, leden van de jury, het was uw twijfel die u deed besluiten uw blik te wenden naar de door mij aangewezen plaats op de publieke tribune. De vrouw zou ook in uw ogen nog in leven kunnen zijn. Die twijfel, die aarzeling vormt nu precies het doorslaggevende argument, waarom geen jury ter wereld mijn cliënt schuldig zou mogen achten.”

Toch werd de verdachte veroordeeld. Er was namelijk één lid van de jury, een vroegere advocaat, die niet naar de tribune had gekeken, maar die integendeel zijn blik op de verdachte gericht had gehouden. En dit jurylid had waargenomen, dat de verdachte anders dan alle anderen in de zaal niet naar de tribune had gekeken, maar stil voor zich uit was blijven kijken...

Luisteren kan meer zijn dan willen horen wat een ander zegt. Dat meerdere zou ik 'integraal luisteren' willen noemen, het observeren en interpreteren van de spreker en het gesprokene met alle in aanmerking komende zintuigen. Laat mij dit mogen verduidelijken met een voorbeeld van 'integraal kijken'.

Als u, gezeten in uw auto, langs de weg een rood omrand, rond wit verkeersbord ziet staan met daarop een fietsje, kan niemand zeggen dat u niet goed hebt gekeken als u zegt dat daar geen fietsers mogen komen. Toch hebt u niet 'integraal' gekeken, want dan zou u hebben gezegd: “Als dat bord daar staat is het blijkbaar aantrekkelijk voor fietsers om daar te rijden. Ik moet dus goed uitkijken voor fietsers die zich van dat verbodsbord niets aantrekken”.

Integraal luisteren vereist scholing, oefening en ervaring. Iedere arts, iedere geestelijke, maar ook iedere rechter en advocaat zal u dat kunnen bevestigen. Rechters zijn goede luisteraars omdat zij niet slechts letten op het gesproken woord, maar ook op de reacties van de partijen, van het publiek en van de advocaat van de tegenpartij.

De advocaat is een heel bijzondere luisteraar. Niet alleen moet hij integraal luisteren naar het pleidooi van zijn tegenpartij, hij moet bovendien voorwenden, dat diens verhaal hem niets interesseert, omdat het na zijn eigen betoog nauwelijks nog iets van belang kan inhouden.

Integraal luisteren is ook een kunst. Het is in zekere zin het interpreteren van het beluisterde: “tevoorschijn luisteren” zou men - vrij naar Kees Fens - kunnen zeggen. Zo zegt de Italiaanse advocaat Calamandrei in zijn Lof der Rechters niet ten onrechte: “Voor het geoefend oor van de rechter is de toon waarop de advocaat iets zegt nog van meer betekenis dan wat hij zegt”.

De ervaren advocaat is zich er terdege van bewust dat de rechter hem in zijn observatie betrokken houdt, ook als hij zijn pleidooi heeft beëindigd en gaat zitten om naar het betoog van zijn wederpartij te luisteren.

Ik heb schitterende luisteraars in de rechtzaal mogen meemaken. Zo bij voorbeeld de advocaat die op het hoogtepunt van het pleidooi van zijn tegenpartij oogcontact met mij zocht met een uitdrukking op zijn gezicht van 'wat een zonde van uw en mijn tijd, dat wij hiernaar moeten luisteren'. Of de advocaat die gedurig en ongerust uit het raam naar de donker wordende hemel keek met een gezicht van 'als deze onzin nog lang doorgaat komen we nooit droog thuis'.

Maar het liefste is mij de wat oudere en wijze advocaat, die, enigszins van zijn wederpartij afgewend, een stuk gaat zitten lezen of zijn dossier vast op orde gaat brengen, zodat hij het volledig aan de rechter kan overleggen. Als zijn wederpartij in zijn ogen wat al te grote onzin vertelt zal hij mogelijk even opkijken, als om zich ervan te overtuigen dat hij het werkelijk goed heeft gehoord. En heel af en toe zal deze advocaat zich tot een interruptie laten verleiden, maar die is dan ook dodelijk.

Al die professionals in de zaal, rechters, officieren van justitie en advocaten, zijn geschoolde en ervaren integrale luisteraars. Hun ontgaat niets dat van belang kan zijn. Zij pikken de geringste signalen op, die bewust of onbewust worden afgegeven. Die expertise in het luisteren missen leden van een jury. De meeste juryleden doen dat werk slechts eenmaal in hun leven, met weinig of geen ervaring met het recht en in een omgeving die hun niet vertrouwd is.

Natuurlijk: er bestaan ook onervaren rechters en advocaten. Maar daar staat dan tegenover, dat er géén ervaren jury's bestaan. Jury's moeten daarom noodgedwongen afgaan op niet meer dan het gesproken woord. Daarmee is de valse en opgeklopte retoriek tegenover jury's verklaard. Daarmee is tevens verklaard, dat pathos en bombast het niet redden tegenover een beroepsrechter. “Een jury is een college van twaalf personen, die moeten beslissen welke partij de beste advocaat heeft”, heb ik eens een Engelse advocaat horen zeggen.

Uit het voorgaande zult u willen begrijpen, dat ik de jury-rechtspraak de beste methode vindt om de waarheid verborgen te houden.

    • B.J. Asscher