Het blijft tobben met achterstallig pensioen voor vrouwen

De problematiek inzake de gelijke behandeling in pensioenregeling heeft de afgelopen weken weer een vervolg gekregen via diverse rechterlijke uitspraken. Het ging daarbij allereerst om de toekenning van pensioenrechten aan vrouwen die in het verleden waren uitgesloten van de deelneming in de bedrijfspensioenregeling. In september 1994 had het Europese Hof van Justitie van de EU al beslist dat de uitsluiting van vrouwen uit pensioenregelingen in strijd is met de verplichting tot gelijke beloning, zoals gewaarborgd in artikel 119 van het EG-verdrag. Dit betekende dat de door de uitsluiting benadeelde vrouwelijke werknemers kunnen vorderen dat zij alsnog met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 in de pensioenregeling worden opgenomen. De vraag die overbleef was of deze opname in de pensioenregeling tevens tot toekenning van pensioenrechten met terugwerkende kracht vanaf 1976 zou moeten leiden. De pensioenfondsen betoogden dat het Verdrag van Maastricht meebracht dat de pensioenopbouw voor in het verleden uitgesloten werknemers slechts over de diensttijd vanaf 17 mei 1990 verplicht was. Daarnaast stelden de pensioenfondsen dat er een verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing was, zodat een vordering tot toekenning van pensioenrechten in ieder geval niet over een langere periode dan 5 jaar toegewezen kon worden.

In een geval dat speelde voor de kantonrechter Utrecht was een vordering pas in 1992 ingesteld, zodat in de visie van pensioenfondsen geen pensioenrechten konden worden toegekend in verband met diensttijd gelegen vóór het jaar 1987. Met deze laatste gedachte is de kantonrechter Utrecht in zijn beslissing van 21 september meegegaan. De kantonrechter overweegt hierbij dat de toekenning van pensioenrechten pas verplicht is, als de werknemer eerst zelf de verschuldigde premie over het verleden betaalt. Vervolgens stelt de kantonrechter vast dat de premie door het pensioenfonds in verband met de verjaringstermijn slechts over een periode van 5 jaar kan worden gevorderd. Dat brengt volgens de kantonrechter mee dat ook slechts over een periode van 5 jaar pensioenrechten kunnen worden gevorderd.

De uitspraak is ongetwijfeld een slag in het gezicht van de vrouwen. Nadat het Europese Hof had beslist dat de uitsluiting uit een pensioenregeling vanaf 1976 ongedaan had moeten worden gemaakt, gingen de vrouwen er van uit dat zij ook vanaf 1976 recht op pensioen hadden. Door deze verwachting haalt de kantonrechter nu dus een vette streep. En of de pensioenrechten over de 5 jaar uiteindelijk aan de vrouwen toegekend worden, hangt natuurlijk ook af van de vraag of de betrokkenen in staat zullen zijn om de daarvoor verschuldigde premie op tafel te leggen. Een praktische oplossing hiervoor kan zijn dat de premie in mindering wordt gebracht op het te zijner tijd uit te betalen pensioen. Met de uitspraak van de kantonrechter in de hand kan vastgesteld worden dat er geen verplichting aanwezig is om over een langere periode dan 5 jaar pensioenrechten toe te kennen aan in het verleden uitgesloten vrouwen. Indien werkgevers desondanks - dan op vrijwillige basis - overgaan tot pensioenreparatie over het verleden, kan daarvoor een subsidie worden verkregen van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering. Als er een verplichting aanwezig zou zijn om de uitsluiting van de pensioenregeling te herstellen, dan kan geen beroep op het fonds worden gedaan. Dat is dan een bijkomstig voordeel, maar de vrouwen zien natuurlijk liever dat er een juridische verplichting voor de werkgever is om vanaf 1976 pensioenrechten toe te kennen. De Ombudsvrouw heeft daarom al aangekondigd beroep in te stellen tegen de uitspraak. En dat de zaak in hoger beroep best eens anders kan aflopen toont een uitspraak van de kantonrechter in Rotterdam van 15 september aan. Ook daarin ging het om de uitsluiting van vrouwen uit de pensioenregeling. Weliswaar stelt de Rotterdamse kantonrechter eveneens dat er een verjaringstermijn van 5 jaar geldt voor de toekenning van pensioenrechten. Maar vervolgens ziet de kantonrechter een juridische omweg om deze korte verjaringstermijn te passeren. De rechter redeneert namelijk dat het niet toekennen van pensioenrechten een onrechtmatige daad is en dat de benadeelde werknemers derhalve recht hebben op schadevergoeding. Deze schadevergoeding bestaat uit opname in de pensioenregeling en het alsnog toekennen van pensioenrechten. Aangezien voor een dergelijke schadevergoedingsactie een verjaringstermijn van 20 jaar geldt, is het altijd mogelijk om vanaf 1976 pensioenrechten te vorderen. Overigens is ook de kantonrechter Rotterdam wel van mening dat de vrouwen eerst de pensioenpremie dienen te betalen. Een dergelijke premievordering lijkt, zoals de betrokken vrouwen ook hadden aangevoerd, echter onderworpen te zijn aan een verjaringstermijn van 5 jaar, zoals eveneens door de kantonrechter Utrecht werd beslist. Maar mogelijk acht de Rotterdamse rechter het niet betalen van de premies door de werknemers net zo goed onrechtmatig, met gevolg dat de premie alsnog over een periode van 20 jaar kan worden gevorderd. Een dergelijke oplossing spaart wel de kool en de geit. De grote angst bij pensioenfondsen is dat zij over 20 jaar pensioenrechten moeten toekennen doch slechts over 5 jaar premie kunnen vorderen. Niet alleen levert dit financiële moeilijkheden op, omdat er niet voor deze gratis toekenning van pensioenrechten is gereserveerd. Bovendien kan er een nieuwe ongelijk behandelingsprobleem ontstaan indien de mannelijke werknemers in het verleden wèl gewoon hun premie hebben moeten voldoen. Kunnen mannen dan hun premie terugvorderen? En geldt hiervoor dan een verjaringstermijn van 5 of 20 jaar? Het is duidelijk dat deze problematiek voorlopig nog niet is opgelost.

Een andere rechterlijke uitspraak betreft de pensioenleeftijd van de Philips-vrouwen. Hier ging het er om dat Phiips aanvankelijk een pensioenleeftijd van 60 jaar voor vrouwen en van 65 jaar voor mannen kende. Om te voldoen aan de Europees-rechtelijke verplichting tot gelijke behandeling verhoogde Philips de pensioenleeftijd voor vrouwen van 60 naar 65 jaar. Ruim honderd vrouwen die dit betrof spanden daarop een procedure aan tegen Philips. Zij stelden dat er sprake was van een inbreuk op hun verkregen verwachtingen en dat Philips wanprestatie pleegde. Zij vorderden daarom handhaving van de oude pensioenleeftijd van 60 jaar. De rechtbank 's-Hertogenbosch wees de vordering bij vonnis van 22 september evenwel af. De rechtbank was van mening dat dit niet in strijd was met de Pensioen- en spaarfondsenwet, omdat deze wet wel beoogt de toegezegde pensioenrechten te beschermen, maar volgens de rechtbank strekt deze bescherming zich niet uit tot een toegezegde pensioenleeftijd. Bovendien vond de rechtbank dat Philips er geen verwijt van kon worden gemaakt dat zij de pensioenregeling in overeenstemming met de verplichting tot gelijke behandeling poogde te brengen.

Hierbij kan worden opgemerkt dat de gelijke behandeling ook op een andere manier tot stand kon worden gebracht. Theoretisch kon de pensioenleeftijd van mannen worden verlaagd naar 60 jaar. Praktisch is dat echter geen realistische oplossing want ofwel de mannen krijgen dan een minimaal pensioen wegens de eerdere ingangsdatum, ofwel het zou veel te kostbaar zijn om de mannen op de leeftijd van 60 jaar eenzelfde pensioen te geven als op de leeftijd van 65 jaar. Voor een dergelijke vroege ingang van het pensioen is uiteraard niet gereserveerd. Een regeling waarbij tijdelijk, als overgangsmaatregel, de lagere pensioenleeftijd voor vrouwen gehandhaafd blijft is evenmin toegestaan. Het Europese Hof besliste vorig jaar in het Shell-arrest heel expliciet dat het zelfs verboden is een tijdelijke inbreuk te maken op het verbod van ongelijke pensioenleeftijden voor mannen en vrouwen.

Met deze beslissing is een duidelijke uitspraak over de pensioenleeftijd gegeven, maar de consequenties voor de pensioenrechten zijn nog niet uitgekristalliseerd. Het probleem hierbij is dat in samenhang met een lagere pensioenleeftijd de jaarlijkse opbouw van pensioenrechten van vrouwen normaal hoger was. Hetzelfde pensioen als mannen moest in 5 jaar minder opgebouwd worden. De vraag is of deze hogere jaarlijkse opbouw afgenomen mag worden, tegelijk met verhoging van de pensioenleeftijd. Een beslissing over dit punt heeft de rechtbank vooruitgeschoven met de uitspraak dat de sociale partners daar eerst afspraken over moeten maken. De kantonrechter Amsterdam was in een uitspraak van juli van dit jaar heel wat voortvarender door te beslissen dat het afnemen van de hogere rechten is toegestaan. Hiertegenover staat een uitspraak van het Europese Hof, dat er geen Europees-rechtelijke rechtvaardiging is om de aan vrouwen toegekende voordelen ter zake van de pensioenopbouw in de periode vóór 17 mei 1990 aan haar te ontnemen. Voor vrouwen heeft deze Europese begrenzing echter weinig te betekenen, als de uitspraak van de Amsterdamse kantonrechter standhoudt. Ook die uitspraak wordt evenwel aan een hogere rechter voorgelegd.