De jaren zestig zijn nu eindelijk afgelopen, conservatief màg weer

In de roerige jaren zestig was conservatisme in Nederland een doodzonde. Links en 'progressief' zetten de toon. Maar volgens S.W. Couwenberg heeft zich sluipenderwijs een kentering voltrokken. Het woord is weer aan de conservatieve onderstroom in de samenleving.

Op het openlijk belijden van een conservatieve overtuiging heeft in ons land lang een taboe gelegen evenals trouwens op het openlijk kiezen voor een centrumpositie. Je kunt beter voor pedofiel dan voor conservatief uitgemaakt worden, placht VVD-politicus M. Geertsema in dit verband op te merken. Dit heeft waarschijnlijk te maken met onze moralistische (dominees)traditie, waardoor een progressief klinkende retoriek bon ton is.

Toch is conservatisme als onderstroom hier altijd aanwezig geweest, getuige typisch Nederlandse zegswijzen zoals 'zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet', 'oude schoenen niet weggooien voor je nieuwe hebt', 'niet over één nacht ijs gaan', 'haastige spoed is zelden goed', 'de kat uit de boom kijken', 'pappen en nathouden', enzovoorts.

Wij zijn het land van het anoniem blijvende conservatisme, aldus de historicus H.W. von der Dunk. Wat hier voor (prudent) progressief doorgaat is op de keper beschouwd niet meer dan wat de geestelijk vader van het Europese conservatisme, Edmund Burke, als conservatief omschreef: preserve bij changing, dat wil zeggen de bereidheid veranderingen te aanvaarden als die nodig zijn om de bestaande orde te handhaven. Het socialisme is de enige stroming geweest die heeft geprobeerd de bestaande orde en heersende levensstijl te doorbreken. Maar onder druk van de politieke omgeving heeft het zich steeds meer losgemaakt van die politieke ambitie.

De culturele revolutie van de jaren zestig beoogde een radicale breuk met de conservatieve onderstroom in onze samenleving. De harde, oerburgerlijke kern van onze Nederlandse identiteit die door het socialisme vergeefs was geattaqueerd, werd in die revolutie opnieuw ter discussie gesteld en geridiculiseerd. Met diepgewortelde burgerlijke tradities, deugden en waarden werd onbeschroomd afgerekend. Dit resulteerde in een reeks van ingrijpende veranderingen zoals dekolonisatie van de burger, seksuele revolutie, individualisering en ontzuiling van de samenleving, politieke polarisatie, nieuwe en vooral feministische emancipatiegolven en een mentaliteit van 'alles-moet-kunnen' en 'weg-met-ons' (onze Nederlandse identiteit).

De jaren zestig zijn nog heel nabij, stelt de historicus H. Righart in zijn recent verschenen, boeiende boek De eindeloze jaren zestig. Van die jaren zijn inderdaad nog heel wat sporen te vinden, vooral in de veel grotere seksuele vrijheid. Maar dit neemt niet weg dat de jaren negentig een heel andere, veel conservatievere geest ademen. In deze jaren voltrekt zich een omslag in het opinieklimaat, waardoor de onderstroom in onze samenleving weer grotere invloed krijgt en het taboe op conservatisme niet langer wordt gerespecteerd. In tal van wetenschappelijke en andere publicaties zien we een opvallende herwaardering van conservatisme als geesteshouding.

Dit lijkt erop te wijzen dat de culturele revolutie van de jaren zestig geen definitieve breuk heeft betekend met de traditionele, burgerlijke kern van onze Nederlandse identiteit. De kentering uit zich in tal van tendensen, zoals de hoge prioriteit van orde en veiligheid bij vrijwel alle politieke partijen, de herwaardering van burgerlijke deugden en waarden, het herstel van de balans van rechten en plichten, het streven naar een reveil van gemeenschaps- en gezinswaarden, hernieuwde erkenning van nationale identiteit als iets reëels dat bescherming verdient.

Ook valt te denken aan het zwaardere accent op nationaal belang als richtsnoer van buitenlands beleid, de herwaardering van elitevorming als motor van de maatschappelijke ontwikkeling, de neiging om biologische factoren weer serieus te nemen bij de verklaring van menselijk gedrag en van verschillen tussen mensen (en dus niet alles te herleiden tot omgevingsfactoren), de veel grotere scepsis inzake de politieke maak- en stuurbaarheid van de samenleving en het ontbreken van bezielende toekomstbeelden.

Deze verschuiving naar rechts wordt onder jongeren heel duidelijk gesignaleerd in opinie-onderzoeken van de laatste jaren. Opvallend in een onderzoek van vorig jaar van het bureau Inter/View was dat liefst 70 procent van ondervraagde jongeren tussen 18 en 24 jaar van mening was dat er in ons land te weinig discipline is en dat daarin de oorzaak gezocht moet worden van de huidige verloedering. Een ruime meerderheid (66 procent) vond het traditioneel burgerlijke gezin de beste samenlevingsvorm om in op te groeien.

Ook in de politiek werkt de naar meer conservatisme neigende tijdgeest steeds meer door. Onder leiding van Kok biedt ook de PvdA hiertegen nog maar weinig weerstand. Zij koestert de voor een gevestigde partij op zichzelf begrijpelijke neiging eindelijk als natuurlijke regeringspartij erkend en behandeld te willen worden. En Kok doet met zijn sterk depolitiserende stijl - Righart spreekt van een toenemende 'verlubbering' van Kok - zijn best die positie veilig te stellen. Maar daar moet wel een stevige prijs voor worden betaald. Wat blijft er dan nog over van de sociaal-democratische identiteit? De vermaarde Duitse socioloog R. Michels waarschuwde al in 1911 dat op het moment dat de socialisten aan de macht komen, het socialisme ten onder gaat.

De omslag in het opinieklimaat gaat tevens gepaard met een nogal hardhandige afrekening met de links-libertaire pretenties van de culturele revolutie. In Ach Jezus, een intellectueel neemt de liberale intellectueel G. van der List het met verve op voor het oude burgermansfatsoen. Eerder deed dat al de progressieve econoom J. Pen in zijn Willem Drees-lezing Gelijkheid onder mensen (1991). Van der List pleit voor een conservatief akkoord van VVD en CDA, dat zou moeten afrekenen met de hele erfenis van de jaren zestig. We kijken nu op de revolutie van die jaren terug als een periode van collectieve gekte, constateert op zijn beurt de publicist en historicus D. J. van Baar in Intermediair.

Oud-Vara-coryfee H. Wigbold gaat in zijn recente Bezwaren tegen de ondergang van Nederland zelfs zover die dreigende ondergang te wijten aan de protestgeneratie van de jaren zestig. Zelfs de eens zo linkse cabaretier Freek de Jonge is nu, bekende hij onlangs, maar wat blij dat er rechtse mensen waren die de moed hadden aan hun conservatieve ideeën vast te houden.

Een positief gevolg van de omslag in het opinieklimaat is dat het moraliseren in termen van links (goed) en rechts (slecht) niet langer de toon aangeeft. Dit heeft de afgelopen jaren allerlei publieke discussies danig verziekt en weinig ruimte geboden voor meer genuanceerde standpunten.

In mijn visie staan links en rechts beide voor bepaalde relevante waarden: links voor emancipatie (gelijkheid in vrijheid), pluralisme, sociale dynamiek (vernieuwing), sociale verantwoordelijkheid en universalisme (kosmopolitisch besef en internationale solidariteit); rechts voor gezag, orde en veiligheid, stabiliteit en continuïteit, sociale integratie en cultivering van particuliere en groepsbindingen. Het gaat er telkens om het juiste midden te vinden tussen die verschillende waarden. En dat is een balans in voortdurende beweging.

Al verschuift de balans nu naar rechts, tegelijk zijn er tekenen die duiden op nieuwe politieke perspectieven. Met het paarse kabinet is niet een einde gekomen aan de politiek, zoals wel wordt beweerd, maar wel aan de door negentiende-eeuwse tegenstellingen beheerste politiek. Dat einde is in de jaren zestig aangekondigd en lijkt zich nu door te zetten.

Dat de oude scheidslijnen niet meer als relevant worden ervaren, treedt bij verkiezingen steeds saillanter aan de dag. Hoe lang nog kan een partijstelsel zich handhaven waarin inhoudelijk weinig of niets meer te kiezen valt?

De historicus J.W. Oerlemans signaleerde in NRC Handelsblad van 14 februari 1990 dat de politieke ontwikkeling in Nederland uitmondt in een éénpartijstaat. Volgens twee D66-prominenten (14 oktober jongstleden) mondt die ontwikkeling uit in het verdwijnen van de politiek. Hoe dit zij, een liberale democratie functioneert niet naar behoren zonder reële verschillen tussen partijen zoals de filosoof G. de Vries (26 september) terecht betoogt. Maar dit impliceert niet dat een democratie zonder gemeenschappelijke waarden kan, zoals hij veronderstelt.

Democratie kan alleen functioneren binnen het kader van gedeelde basiswaarden die in de rechtsorde hun juridische expressie vinden. Het is het de taak van politieke partijen de verschillen in visie op de verdere ontwikkeling van onze samenleving te vertalen in reële opties in het electorale proces. Meer dan in de jaren zestig is de tijd nu rijp voor nieuwe politieke verhoudingen.

    • Dr. S.W. Couwenberg