Arrest Hoge Raad plaatst Vermeend voor dilemma's

DEN HAAG, 18 OKT. De Industriebond FNV heeft bij de Hoge Raad een in oktober 1989 begonnen fiscale proefprocedure gewonnen over de belastbaarheid van stakingsuitkeringen. De beslissing van de Hoge Raad kan voor de hele Nederlandse vakbeweging groot financieel voordeel opleveren.

Zes jaar heeft de Industriebond gevochten tegen de belastingregel die hem verplicht loonbelasting op stakingsuitkeringen (uit fondsen die door de vakbondsleden zelf zijn opgebracht) in te houden. Daardoor moet een stakingsuitkering worden gesplitst in een deel loonbelasting dat aan de fiscus moet worden afgedragen en in de netto uitkering die naar de staker gaat.

De vakbeweging heeft tientallen jaren trouw volgens de betwiste regels loonbelasting ingehouden; later gebeurde dat onder protest. In 1992 is de FNV met de afdracht van loonbelasting gestopt. Afhankelijk van de gretigheid van de gezamenlijke vakcentrales om de fiscus de duimschroeven aan te draaien, ligt hun fiscale claim naar verwachting tussen de 50 en meer dan 100 miljoen gulden. De fiscaal-technisch ingewikkelde proefprocedure is indertijd voor de FNV begonnen door de Amsterdamse advocaat prof. Langereis (kantoor Stibbe en Simont). Zij is nu geëindigd met de onverbindendverklaring van de uitvoeringsregel.

De Wet op de loonbelasting staat de minister toe op periodieke uitkeringen loonbelasting te laten inhouden. Met de omstreden uitvoeringsregel was dat voor stakingsgelden geregeld, maar de Hoge Raad heeft nu beslist dat uitkeringen uit stakingskassen geen periodieke uitkeringen zijn. De uitkeringen zijn namelijk een onderdeel van de rechten die uit het lidmaatschap van de vakbond voortvloeien.

In de jaren dertig heeft de belastbaarheid van een stakingsuitkering ook al eens een probleem gegeven. Daarom keek de fiscus in de periode daarna tactvol een andere kant uit als er stakingsuitkeringen over tafel gingen. Maar in 1973 wilde minister Nelissen (financiën), die de toenmalige stakingsgolven beu was, de belastinginspecteurs inzetten om via de belastingheffing de animo voor het staken te verminderen. Dat vooruitzicht vonden zowel de vakbeweging als de toenmalige staatssecretaris Van Rooijen (belastingzaken) weinig aanlokkelijk. De vakbeweging had opeens haast om de zaak dan maar via de geruisloos werkende loonbelasting op te lossen.

Mede door de inzet van de toenmalige FNV-adviseur Vermeend (de huidige staatssecretaris van financiën) kon de vakbeweging als beloning voor die welwillende houding alle lopende problemen rondom stakingsuitkeringen voor een laag bedrag afkopen. Het is dus begrijpelijk dat de vakbeweging na 1977 niet zo kritisch keek naar de uitvoeringsregel die zij zelf had opgeroepen. Maar twaalf jaar later was de herinnering vervaagd.

Bovendien lonkte het belastingvoordeel dat in het verschiet lag als de regeling onderuit zou gaan. Zij hield inderdaad geen stand bij de Leeuwarder belastingrechter. Dat zinde de vorige staatssecretaris van financiën, Van Amelsvoort, niet. Volgens hem snapte de rechter niets van de zaak en de bewindsman stapte met het probleem naar de Hoge Raad.

Daarbij hanteerde Van Amelsvoort onder meer de stelling dat de vakbeweging als een soort verzekeringsmaatschappij moet worden beschouwd. Dat was niet slim; van die stelling is hakhout gemaakt. Maar ook met minder vreemde redeneringen was de uitvoeringsregel niet te redden. Zij sluit niet goed aan op de wetsregel waarop zij stoelt. De uitvoeringsregel moet daarom als niet geschreven worden beschouwd.

Dat plaatst de huidige staatssecretaris Vermeend voor lastige dilemma's. Zo moet hij een enorm bedrag terugbetalen. In de eerste plaats aan het FNV, maar misschien ook aan andere vakcentrales. Waarschijnlijk staan die juridisch in een zwakkere positie, maar politiek doet het onevenwichtig aan om de FNV wegens haar slimme aanpak in één klap rijk te maken en de andere vakcentrales in de kou te laten staan. Een dilemma dus.

Vervolgens moet Vermeend beslissen of hij de nu omver gekegelde regeling opnieuw in ere wil herstellen. Dat vergt een wetswijziging. Het is sterk de vraag of Vermeend, die de meest uiteenlopende faciliteiten voor bedrijven en vermogensbezitters in het leven heeft geroepen, het politiek kan maken om tussen dat fiscale strooigoed door belastingheffing over stakingsuitkeringen te verdedigen. En dan bovendien een die hij zelf ooit verguisd heeft. Nog een dilemma dus. Tot slot moet hij beslissen of hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om de stakingsuitkeringen, net als Nelissen wilde, bij de stakers zelf te belasten.

De eerste poging daartoe leidt zonder twijfel tot protesten en een nieuwe proefprocedure. Aan de onzekerheid die dan ontstaat, maakt de Hoge Raad in het huidige werktempo van de rechters pas in het jaar 2001 een einde. Intussen zouden de belastingdossiers van stakers niet afgesloten kunnen worden. Bovendien is de uitkering fiscaal-technisch gesproken misschien wel belast, maar hoe leg je een staker uit dat er belasting wordt geheven als het door hemzelf ingelegde geld wordt uitgekeerd? Het is net alsof de fiscus belasting wil heffen als de bank spaargeld terugbetaalt. Ook dit dilemma ligt op Vermeends bordje.

De energieke bewindsman heeft zich ontpopt als een politiek gevoelig, economisch denker. Formalistische redeneringen spreken hem niet aan. Het ligt voor de hand dat hij de komende dagen op zoek gaat naar een politiek draagvlak om stakingsuitkeringen maar lekker onbelast te laten, ook al zou zo'n beslissing fiscaal-technisch betwistbaar zijn.