'Zolang Sarajevo rookt, leven we voort'

Het openen van de wegen naar Sarajevo maakt een einde aan de schaarste-economie, die enkelen rijk maakte en velen arm. Maar ondanks dalende prijzen en het herstel van nutsvoorzieningen is Sarajevo een gedemoraliseerde en verpauperde stad.

SARAJEVO, 17 OKT. De een sloot een lampje aan op een auto-accu, de ander kocht een generator, en wie de juiste contacten had tapte stroom en gas af van UNPROFOR-kazernes of overheidsgebouwen met 'prioriteit'. Maar voor veel bewoners van Sarajevo vielen zelfs kaarsen buiten het budget.

Nu de Bosnische hoofdstad weer volop elektriciteit heeft, hoeft Emil Haller, een gepensioneerde journalist van TV Sarajevo, niet meer de hele avond met een zak vuile was naast de wasmachine van zijn vriend Ozo te wachten totdat diens wijk weer een uurtje gerantsoeneerde stroom kreeg toebedeeld. Maar het is te laat, zegt Emil. “Zodra de wegen opengaan loop Sarajevo leeg”, zegt hij.

Haller, wiens Oostenrijkse voorouders zich drie generaties terug in de stad verstigden, wil ook vertrekken. Zijn grootvader vertrok tijdens de Eerste Wereldoorlog, zijn vader tijdens de Tweede. Zijn kinderen wonen in de Verenigde Staten en in verscheidene Europese landen. “De Hallers keren nooit meer terug naar Sarajevo”, zegt Emil. “Mijn vrouw woont al in Kroatië, ik wil mijn appartement in Sarajevo eerst ruilen voor een appartement aan de Dalmatische kust.” Zijn vriend Ozo lacht. “Als je daarop wacht, zul je zeker sterven in Sarajevo.”

Appartementen, auto's, meubilair; dat is het enige wat hen nog hier houdt tot ook voor hen de wegen opengaan, zeggen veel burgers. Ze beseffen dat Europa niet op nog meer ontheemde Bosniërs staat te wachten, en in het 'actieplan voor Sarajevo' van de VN geldt het herstel van 'burgertrots' als prioriteit. Toch kan de oude middenklasse zich moeilijke een toekomst in Sarajevo voorstellen. Platsoenen zijn moestuinen en maïsvelden geworden, parken zijn veranderd in begraafplaatsen, bomen zijn omgehakt, cultuurmonumenten, kantoren en fabrieken verwoest.

De oude elite van de stad is door een nieuwe vervangen: burgermedewerkers van UNPROFOR, die inkopen mochten doen in de belastingvrije PX-shop om de waar op straat tegen woekerprijzen door te verkopen, medewerkers van hulporganisaties, tolken en fixers voor journalisten, jonge zwarthandelaars in jeans en leren jasjes.

In het afgelopen jaar was de tunnel onder het door de VN gecontroleerde vliegveld van Sarajevo de aorta van de 'scharrel-economie' en de enige verbinding tussen Sarajevo en de rest van het door de Bosnische regering gecontroleerde territorium. Officieel is de tunnel nog steeds een militair geheim, maar duizenden inwoners en vele journalisten hebben er inmiddels gebruik van gemaakt.

Nu er onder bescherming van de VN weer dagelijks vrachtwagens door het niemandsland naar Sarajevo rijden, heeft de tunnel aan belang ingeboet. Het 'stadseinde' van de anderhalf meter hoge gang duikt in een woonhuis in Dobrinja onder de grond, om na een kilometer weer boven te komen, in het dorpje Butmir dat aan de overkant van de landingsbaan in de ochtendnevel ligt, aan de voet van berg Igman.

Over de grond loopt een spoor voor mijnkarretjes. Aan de wanden hangen slangen en buizen voor gas, diesel, stroom en telefoonverkeer. Naast de tunnelingang staan houten schuttingen. Hier werd een tweede tunnel aangelegd, groot genoeg voor personenauto's, maar een hoge Bosnische militair bevestigt dat de autotunnel halverwege is ingezakt. “We hebben het opgegeven, de grond is te zacht”, zegt hij. “We concentreren ons nu op een tweede personentunnel.”

Tot voor kort sjacherden de marktkooplieden van Sarajevo hier met de handelaars die in enorme rugzakken voedsel en luxegoederen door de tunnel aanvoerden. UNPROFOR werd geacht de burgers van het basisvoedsel te voorzien: meel, rijst en macaroni. De buitenlandse sigaretten, whisky en Dalmatische hammen, die in Sarajevo al die tijd te koop waren, kwamen door de tunnel. Handelaars van buiten trotseerden daarvoor de haarspeldbochten van de berg Igman en Servische beschietingen om in Butmir de benodigde papieren te bemachtigen.

Voor veel kooplieden kwam de openstelling van de wegen na de op 30 augustus begonnen NAVO-aanvallen tegen de Bosnische Serviërs daarom als een onaangename verrassing. En ook het regeringsleger had gemengde gevoelens. De handel in documenten, stempels en handtekeningen die toegang gaven tot de tunnel, was een lucratieve bijverdienste. Een buitenlandse hulpverlener, die van de burgemeester van Sarajevo de verzekering had gekregen dat hij voortaan gratis door de tunnel mocht, bleek bij de ingang opeens vijftigduizend D-mark te moeten betalen. “Dertigduizend vast tarief, twintigduizend onder de oksels en in het vestzakje”, zegt hij somber. “De meerderheid in deze stad moet zijn hand al drie jaar lang ophouden bij de hulpverleners, de opportunisten stelen of draaien mee in de mafia-economie; die mentaliteit verander je niet zomaar.”

Nu gas en elektriciteit weer stromen en de prijzen dalen, lijkt Sarajevo op te leven. De Amerikaanse diplomaat William Eagleton leidde de complexe onderhandelingen tussen Serviërs, Kroaten en moslims over het herstel van denutsvoorzieningen, waarbij volgens hem “niet de Serviërs maar de Kroaten het grootste obstakel vormden”, door hun weigering leidingen naar de waterkrachtcentrales bij Jablanica te laten repareren.

Bij het herstel van de gastoevoer naar Sarajevo was Rusland volgens Eagleton de belangrijkste beperkende factor. Dat land had nog een vooroorlogse rekening van meer dan honderd miljoen dollar bij Bosnië openstaan voor de levering van aardgas - een bedrag dat over de drie strijdende partijen moest worden verdeeld. Dat probleem is opgelost, maar Eagleton verwacht niet dat zijn werk er nu op zit. “De pijpleiding loopt over Bosnisch en Servisch gebied. Natuurlijk krijg je verwijten over en weer dat de andere partij teveel gas afneemt en de druk te laag is.”

Desondanks verloopt het herstel redelijk volgens plan, vindt Eagleton. Volgende punt op zijn lijst is de watervoorziening, zodat de burgers niet langer de dagelijkse gang met jerrycans naar de tankauto's van de VN hoeven te maken. Daarna volgen het telefoonnet, de reinigingsdienst en reparaties van scholen en ziekenhuizen.

Toch zijn veel burgers banger voor de vrede dan voor de oorlog, zegt psychiater Amira Teftedarija. Sinds het staken van de beschietingen constateert zij een groeiend aantal zelfmoorden. “Als je enige zorg is dat je hoofd op je lichaam blijft staan, heb je geen tijd voor de toekomst - nu wel”, zegt Teftedarija. “Wie zegt dat in het naoorlogse Sarajevo werk zal zijn? Veel mensen wonen in appartementen van mensen die zijn gevlucht, wat als die terugkeren? De kinderen zijn naar Duitsland gestuurd, keren die ooit terug naar een spookstad als Sarajevo?”

De industrie van de stad is zwaar gehavend. Nieuw zijn sinds 1992 alleen de munitiefabriekjes en wapenateliers, de grote fabrieken zijn verwoest, hebben hun produktie gestaakt of draaien op een waakvlammetje door. Voorzichtige experimenten tot privatisering zijn in het begin van de oorlog tot staan gebracht - een oorlogseconomie vereist nu eenmaal een strak centraal bestuur. Lojo Sefik is al vijftien jaar manager van de sigarettenfabriek van Sarajevo, voor de oorlog de op één na grootste producent van rookwaren in Joegoslavië. Uit de voorgevel van de fabriek steekt de staart van een mortiergranaat. “Een blindganger”, zegt Sefik. “We durven hem niet weg te halen.”

Hier en daar worden gaten in het fabrieksgebouw dichtgemetseld, maar de produktielijnen blijven voorlopig in de atoomvrije kelder. Naast de huismerken Bosnae en Drina maakte de fabriek vroeger Malboro's in licentie. De produktie is gedaald van 5.000 naar 150 ton sigaretten per maand. De mensen roken dan wel meer in oorlogstijd, zegt Sefik, maar zijn markt is ingekrompen tot het stukje Bosnië dat onder regeringscontrole staat. Grootste afnemer van Drina-sigaretten: het leger.

Hoe denkt Sefik aan het kapitaal te komen om zijn fabriek te herstellen en te moderniseren? Vreest hij de buitenlandse concurrentie als de economie van Bosnië wordt geliberaliseerd? Sefik is verbaasd: bij alle problemen om zijn fabriek gaande te houden, heeft hij nooit over de toekomst nagedacht. Het geld, dat zal wel lukken, al moeten buitenlandse investeerders niet denken dat ze het voor het zeggen krijgen. “Zolang de mensen roken, leven we voort”, besluit de manager optimistisch.

Omvangrijke westerse hulp is een eerste vereiste voor de wederopbouw van Sarajevo. Westerse regeringen reserveren nu fondsen en stellen herstelplannen op. Mogelijk hoeft Bosnië zijn internationele schuld - zo'n 35 miljard dollar - niet af te betalen. Donorlanden zouden voorts drie tot vier miljard dollar willen vrijmaken. Het IMF werkt aan een herstelplan. Zo'n wederopbouwfonds is niet alleen geboren uit altruïsme, maar kan ook dienen om de Bosnische regering onder druk te zetten zich neer te leggen bij een verdeling van Bosnië. In een gezamelijke verklaring lieten de ministers van financiën van de G7-landen vorige week nadrukkelijk weten dat de geldstroom pas op gang komt als de wapens definitief zwijgen. Maar voorlopig koestert men in Sarajevo liever de illusie dat tegenover financiële hulp geen politieke concessies hoefven te staan.

Zo lobbiet de Bosnische regering druk voor een 'mini-Marshallplan', opgesteld door een Britse ex-diplomaat en Enver Backovic, vice-president van de Nationale Bank. Kern van het plan is de vorming van een voorlopig wederopbouwfonds van een miljard dollar door bevriende westerse 'pledging powers'. De Bosnische regering mag dat bedrag naar eigen goeddunken besteden. Ook de Bosnische Serviërs mogen meedoen, “als ze een democratische en multiculturele samenleving hebben”. Een lobbyist is realistisch genoeg te erkennen dat zijn plan geen schijn van kans maakt. “Als we zo rijk willen worden als Duitsland, moeten we eerst de oorlog verliezen.”

De Italiaanse kledingketen Benetton opende onlangs een winkel in Sarajevo. Binnen houden koorden het publiek op afstand gehouden van de koopwaar. Naast de kledingkasten staan meisjes als schildwachten in het gelid. Sarajevo zal voorlopig alleen naar de welvaart mogen kijken.

    • Coen van Zwol