Werkgevers: geen afspraak over aantal banen allochtonen

DEN HAAG, 17 OKT. De vakbeweging wil dat de werkgevers in 1996 25.000 extra banen voor allochtonen creëren. De werkgevers willen weliswaar de arbeidsmarktpositie van allochtonen verbeteren, maar noemen daarbij geen getallen. Dit bleek gisteren na afloop van het najaarsoverleg van sociale partners met een zware kabinetsdelegatie.

De sociale partners hebben besloten het eind dit jaar aflopende minderhedenakkoord uit 1990 met 1 jaar te verlengen. Dit wil zeggen dat ook in 1996 de sociale partners zich zullen inspannen om de lange-termijndoelstelling van evenredige arbeidsparticipatie van allochtonen dichterbij te brengen. Daartoe wordt bedrijven aanbevolen extra inspanningen te verrichten om taakstellende werkplannen op te stellen en hierbij de beleidsmedewerkers allochtonenbeleid van de arbeidsbureaus ('bammers') te betrekken. Ook de ondernemingsraden hebben hierin volgens een gezamenlijke intentieverklaring van werkgevers en werknemers “een expliciete taak”.

Volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waren er van de gemiddeld 486.000 geregistreerde werklozen in 1994 114.000, ofwel ruim 23 procent, allochtoon. Volgens FNV-voorzitter J. Stekelenburg betekent dit dat van de ruim honderdduizend extra banen die volgend jaar worden verwacht er ten minste 25.000 terecht moeten komen bij allochtonen om het doel - evenredige arbeidsparticipatie van allochtonen - dichterbij te brengen.

Werkgeversvoorzitter A. Rinnooy Kan toonde zich tevreden over het feit dat de 60.000 banen voor allochtonen die in 1990 zijn beloofd er ook daadwerkelijk gekomen zijn, maar hij wilde zich niet uitlaten over het aantal allochtonen dat in 1996 extra aan een baan moet worden gehopen om de doelstelling van evenredige arbeidsparticipatie dichterbij te brengen. “Ik houd niet van getallen”, zei Rinnooy Kan, toen hem werd gevraagd naar een concretisering van de intentie om meer allochtonen aan het werk te helpen. Minister Melkert zei “dat hij wel van getallen houdt, maar dat je die wel moet kunnen waarmaken”. Bij het voorjaarsoverleg van 1996 wil Melkert met de sociale partners bekijken wat er terecht is gekomen van de intenties. Tegelijkertijd zal dan een evaluatie worden gemaakt van de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (WBEAA), die werkgevers onder meer verplicht om gegevens te deponeren bij de Kamers van Koophandel en Fabrieken. De meeste werkgevers blijken nog steeds niet aan deze wettelijke verplichting te hebben voldaan.

De sociale partners spraken bovendien de intentie uit om via CAO-afspraken een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van laag gekwalificeerd personeel. Daartoe zullen lagere loonschalen en aanloopschalen worden ingevoerd op en net boven het minimumloon. Werkgevers die door een CAO worden belemmerd om personeel het minimumloon of iets meer uit te betalen zullen daarvoor dispensatie kunnen krijgen. Bij het geven van dispensatie zullen volgens Melkert onafhankelijke derden moeten worden ingeschakeld. Op dit moment bestaat de dispensatiemogelijkheid ook al, maar de CAO-partners zelf beslissen wie van CAO-bepalingen worden vrijgesteld. Volgens Melkert mogen CAO's “geen belemmering vormen voor het mogelijk maken van betaling vanaf het minimumloon”. Op dit moment liggen de laagste CAO-schalen gemiddeld nog 15 procent boven het wettelijk minumloon.

De intenties van werkgevers en werknemers met betrekking tot extra banen voor allochtonen en laag gekwalificeerd personeel vormen voor het kabinet voldoende reden om geen gevolg te geven aan het in het regeerakkoord geuite dreigement om onderdelen van CAO's niet langer algemeen verbindend te verklaren. Met name de VVD en D66 maakten zich in het verleden sterk voor het niet langer opleggen van CAO-bepalingen aan hele bedrijfstakken, dus ook aan ongeorganiseerde werkgevers en hun personeel. Nieuwe toetreders zou het hierdoor makkelijker gemaakt worden om met lagere loonkosten een marktpositie te veroveren. Met betrekking tot kabinetsvoorstellen voor de arbeidsvoorziening en de Ziektewet, die binnenkort door het parlement worden behandeld, bleek verdeeldheid te bestaan tussen kabinet en sociale partners. Minister Melkert zei desgevraagd “open te staan voor kritiek en wijzigingsvoorstellen”.