Voorzitter Verzekeringskamer over Vie d'Or: We hadden 'n actievere regie moeten voeren

De Verzekeringskamer ligt onder vuur. Het toezicht bij het faillissement van de Vie d'Or is niet adequaat geweest, zo concludeert een parlementaire onderzoekscommissie. “Een goed werkstuk”, meent bestuursvoorzitter Vermaat. Maar het is een oordeel achteraf. “Op basis van de informatie die we toen hadden, hebben we de goede keuzes gemaakt.”

APELDOORN, 17 OKT. Vrijdagmiddag, drie dagen voor de officiële publikatie, wordt het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie in Apeldoorn bezorgd. De voorbode van een somber weekend voor de bestuurders van de Verzekeringskamer? Immers de commissie-Ybema velt een zwaar oordeel over de toezichthouder bij het faillissement van de verzekeringsmaatschappij Vie d'Or.

“We hebben zaterdag intensief gewerkt”, zegt A.J. Vermaat voorzitter van de Verzekeringskamer. “Maar voor de rest was het geen somber weekend.” De toezichthouder vindt dat de commissie-Ybema zorgvuldig te werk is gegaan. “Ze komen met aanbevelingen waar we ons, grosso modo, in kunnen vinden”.

Ook een paar uur nadat de het rapport 'Verzekerd van toezicht' officieel is gepubliceerd, gaan Vermaat en zijn collega-bestuurder P.J.C. Keizer niet gebukt onder de kritiek. In de werkkamer van de bestuursvoorzitter loven de bestuurders het rapport. “We vinden het een goed werkstuk”, zegt Vermaat. “Ik heb het rapport zorgvuldig gelezen en concludeer dat het toezicht op Vie d'Or beter had kunnen zijn. Dat hebben we vorig jaar ook zelf al geconcludeerd en dit rapport beschouw ik als een aansporing. Maar het is wel een oordeel achteraf. Op basis van de informatie die we toen hadden, hebben we de goede keuzes gemaakt. Die conclusie trek ik ook uit het rapport.” Zijn collega Keizer vult aan: “De Verzekeringskamer is er niet in geslaagd om de deconfiture van Vie d'Or te voorkomen. Dit kan volgens de commissie niet de toezichthouder worden verweten. Immers de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de directie met de raad van commissarissen.”

Twee jaar geleden ging de verzekeringsmaatschappij failliet door “mismanagement”, zoals de bewindvoerder concludeerde. De schade voor de 11.000 polishouders bedroeg veertig procent van hun inleg en bedraagt maximaal 180 miljoen gulden. De Tweede Kamer wilde dat de Algemene Rekenkamer 'de onderste steen' boven zou halen bij het toezicht van de Verzekeringskamer op Vie d'Or. Maar het onderzoek kwam niet van de grond omdat de Verzekeringskamer, daarin gesteund door Financiën, geen inzicht wilde geven in vertrouwelijke dossiers. Vermaat: “De Europese richtlijn verbiedt ons het verschaffen van de informatie die de Rekenkamer noodzakelijk achtte voor het onderzoek.”

Om de impasse te doorbreken werd in februari een parlementaire commissie geïnstalleerd nadat Vermaat duidelijk had gemaakt dat hij bij een eventuele parlementaire enquête gebruik zou kunnen maken van het verschoningsrecht. Vermaat: “De wet verbiedt ons dat er informatie over de toezichtdossiers naar buiten komt. En de commissie-Ybema is tot de conclusie gekomen dat de onderste steen boven is gekomen zonder de toezichtdossiers in te zien.” Tijdens de persconferentie in de Troelstrazaal van de Tweede Kamer vatte commissievoorzitter Ybema gisteren de kritiek in vier punten samen. Het repliek van de toezichthouder.

De Verzekeringskamer had een serieus onderzoek moeten instellen naar de antecedenten en/of het handelen van de bestuurders van Vie d'Or. De administratieve wanorde duidde op een gebrek aan professionaliteit bij de bestuurders van Vie d'Or.

Vermaat: “Wij kunnen alleen maar marginaal toetsen. Zo'n toetsingsprocedure haalt geen toekomstig feilen naar boven. Na gesprekken met De Nederlandsche Bank hebben we onze methode van toetsing wel uitgebreid. Maar ik verwacht niet dat er veel gevallen op de zeef zullen blijven liggen.”

Keizer: “De commissie-Ybema constateert een administratieve wanorde. Wij zien dat anders. Er was een extreme groei bij Vie d'Or. De premie-inkomsten namen met 600 procent toe en dat kunnen maar weinig verzekeraars vlekkeloos verwerken. Dat is geen reden om een directie naar huis te sturen.”

De Verzekeringskamer was te coulant ten aanzien van de financiële hoogstandjes die Vie d'Or uithaalde, de zogeheten herverzekeringscontracten, en had moeten aandringen op een versterking van het eigen vermogen.

Vermaat: “Over dit onderwerp hebben we in dit huis een stevige robber gevochten. Financiële herverzekeringscontracten zijn een bekend fenomeen in de Angelsaksische wereld. Vie d'Or was de eerste die ervan gebruik maakte in Nederland. We hebben de contracten bestudeerd en mede geaccepteerd omdat de herverzekeraar NRG en Gerling solide instellingen zijn. Als de commissie constateert dat een uitbreiding van het eigen vermogen beter was geweest dan zeg ik ja natuurlijk, maar dat zat er niet in.”

De Verzekeringskamer was te passief toen Vie d'Or in de uitverkoop lag.

Vermaat: “Dat was een foute taxatie van ons. Chase Investment Bank onderhandelde met binnenlandse en buitenlandse financiële instellingen. Toen de belangenverstrengeling van directeur Maes aan het licht kwam, werden de verkooppogingen gestaakt. Wij hebben toen te afwachtend gereageerd. Als toezichthouder moet je niet teveel je gezicht laten zien, want dat wekt argwaan. Maar ik erken dat we een actievere regie hadden moeten voeren.”

De Verzekeringskamer had in 1992 een bewindvoerder moeten benoemen. Krachtig ingrijpen door de toezichthouder had op het vertrouwen kunnen bevorderen dat de problemen effectief zouden worden aangepakt, aldus de commissie-Ybema.

Vermaat: “Wij hebben, en zouden nu weer, een andere afweging hebben gemaakt. Als je weet dat het maar veertien dagen duurt, kun je gerust een bewindvoerder aanstellen. Maar als je praat over een periode van een paar maanden of langer dan heb je grote kans dat het uitlekt. Wij vreesden een negatieve uitwerking, de commissie positief. Dat blijft een verschil in taxatie. Ik neig naar voorzichtigheid. Bij twijfel niet doen.”

Keizer: “Het benoemen van een bewindvoerder in de pensioensector is makkelijker. Daar is het een effectief middel, want je hebt niet direct te maken met een markt waar mensen à la minute kunnen switchen. Bij het verzekeringsbedrijf levert het grote risico's op. Het is een klein wereldje en wanneer bekend wordt dat ergens een bewindvoerder aan de slag is, nemen potentiële klanten een afwachtende houding aan. Dat is funest.”

De commissie constateert dat de Verzekeringskamer haar bevoegdheden nogal formeel interpreteert en deze bovendien terughoudend gebruikt. Binnen de grenzen van de wet is een effectiever toezicht mogelijk.

Vermaat: “Die conclusie deel ik niet. We kennen een systeem van normatief toetsen. We controleren achteraf. Dat is wettelijk zo geregeld. Maar soms toetsen we vooraf. Dat is wettelijk niet geregeld, maar daarom gebeurt het soms wel. Als de nood daar is, doen we dat.”

Keizer: “Door onze methode van toezicht hebben we in Nederland een sterk concurrerende markt met veel aanbieders en scherpe tarieven. De keerzijde is dat er bedrijven zijn die de eindstreep niet halen. Het kabinet hamert op meer marktwerking, meer concurrentie. Maar als je dan wordt geconfronteerd met de gevolgen van zo'n beleid, marginale bedrijven die uit de boot vallen, dan roept iedereen moord en brand.”

Hoe kun je scherpe kantjes van de concurrentie slijpen?

Vermaat: “Ik pleit voor een zogeheten opvang-regeling. Dan kun je een verzekeraar die in de zogeheten knipperlicht-fase verkeert opvangen. Het is een inbreuk op de economische orde. De samenleving wil geen deconfitures en toch moeten inefficiënte verzekeraars het veld ruimen. Een opvang-regeling is de koninklijke weg, waarbij de polishouders niet de dupe zijn. Zo'n regeling is noodzakelijk, zeker nu de concurrentie scherper wordt.”

De vorige minister van financiën, Kok, vond het toezicht dat hij op de Verzekeringskamer kon uitoefenen toereikend. Zijn opvolger Zalm niet en wil wil het toezicht uitbreiden.

“Ik begrijp dat iemand die politiek verantwoordelijk is over de informatie moet kunnen beschikken op basis waarvan hij zich een mening kan vormen.”

Op dit moment is de informatievoorziening voor de minister van financiën dus niet optimaal geregeld?

Vermaat: “Vanuit de positie van de minister geredeneerd niet. Maar wanneer de Verzekeringskamer meer informatie moet geven aan de minister, dan is de schaduwzijde dat onze informatievoorziening minder wordt.”

Maar verzekeraars zijn toch verplicht om de informatie te geven.

Keizer: “We moeten een onderscheid maken tussen gevraagde en niet-gevraagde informatie. We krijgen vaak niet-gevraagde informatie waarvan mensen denken dat is interessant voor de toezichthouder.”

Vermaat: “Als toezichthouder ben ik gebaat bij elke roddel in de bedrijfstak. Ik wil alles weten. Negentig procent is niet-waar, tien procent bevat een kern van waarheid. Ik kan op geen enkele manier riskeren dat die informatiekanalen opdrogen en dat gebeurt wanneer ik meer informatie aan de minister moet doorspelen. Kok was gevoeliger voor het argument van de spontane informatieverstrekking aan de Verzekeringskamer. Zalm opteert voor meer informatie voor de minister. De minister kan meer, ik kan minder.”