Vier weken celstraf voor duo dat stervende man geen hulp bood

GRONINGEN, 17 OKT. Een 50-jarige man uit Groningen en zijn 22-jarige zoon zijn tot vier weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld voor het nalaten van hulp aan een man die aan een hartaanval had en later is overleden. De officier had zes weken geëist.

De Groningse kantonrechter W. Duitemeijer achtte bewezen dat de vader en zoon getuigen waren van het in direct levensgevaar verkeren van hun 69-jarige buurman. Op een avond in februari hadden ze ruzie over een parkeerplaats gekregen en niets gedaan toen de buurman in elkaar zakte. De 50-jarige man had hem toegeroepen: “Zak voor mijn part in een bult, vent.” Daarna was hij weggelopen. De zoon had de buurman even later nog zwaar ademend op de grond zien liggen.

Het tweetal is veroordeeld op grond van artikel 450 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel wordt zelden toegepast. Hierin staat centraal het nalaten van hulp aan iemand die in onmiddellijk levensgevaar verkeert. Het artikel valt onder de lichtere juridische categorie van overtredingen en heeft een maximumstraf van drie maanden hechtenis of een boete van vijfduizend gulden. Alleen als de persoon die hulp behoeft overlijdt, is er sprake van strafbaarheid.

Advocaat F.L. van Lelyveld betoogde tijdens de rechtszitting, twee weken geleden, dat zijn cliënten geen objectieve getuigen waren, omdat ze ruzie met de man hadden. Volgens hem waren ze te emotioneel. De kantonrechter baseerde zich op verklaringen die het tweetal bij de politie had afgelegd. Zo had de vader gezegd dat hij dacht dat de man een hartaanval had. De zoon had tegen zijn vriendin gezegd dat “hij daar maar mooi moest blijven liggen.” De officier van justitie zei tijdens de zitting akkoord te willen gaan met een veroordeling tot dienstverlening, maar de advocaat eiste vrijspraak. Onbekend is of de vader en zoon in hoger beroep gaan. Hun advocaat was vanochtend niet bereikbaar.