Scherpe patronen of losse flodders?

Sinds het einde van de jaren zeventig hebben gerespecteerde economen en gezaghebbende opiniemakers munitie aangedragen voor een offensief dat zich inmiddels laat aanzien als de beslissende slag om de bastions van de verzorgingsstaat. In de afgelopen twee decennia schreven velen, daartoe geïnspireerd door inzichten van een stroming die bekend raakte als de aanbodeconomie, het teleurstellende groeitempo van de nationale produktie toe aan een overmaat aan regelgeving, het slecht functioneren van beschermde staatsbedrijven, wurgend hoge belastingen en veel te genereuze uitkeringen en subsidies voor zowel burgers als ondernemingen. Naarmate de stalinorgels van de aanbodeconomen langer vuur afgaven, voelden politici van links tot rechts zich meer gelegitimeerd verworven rechten en gegroeide verhoudingen ter discussie te stellen en vervolgens aan te tasten, al liep de herziening van de verzorgingsstaat minder hard van stapel dan vaak wordt gesuggereerd.

Met de vermindering van het aantal regels wil het in Nederland namelijk nog steeds niet erg vlotten. Ambtenaren op het ministerie van Economische Zaken typen zich al jaren de vingers blauw op het toetsenbord van hun pc's, maar alle nota's en beleidsbrieven kunnen niet verhullen dat de keizer van de deregulering in dit land slechts in wat schamele vodden gehuld gaat. De hoeveelheid fiscale en sociale wetgeving is de afgelopen vijftien jaar alleen maar toegenomen; het aantal daadwerkelijk ingetrokken wetten valt op de vingers van één hand te tellen. Bij de privatisering van voormalige overheidsbedrijven zijn op papier aardige successen geboekt, maar van alle inmiddels geprivatiseerde en verzelfstandigde onderdelen van de overheidsorganisatie zijn er maar bitter weinig blootgesteld aan de harde tucht van de markt.

De nagestreefde verlaging van het belasting- en premiepeil is tot nu toe vruchteloos gebleven. Ten tijde van de val van het rode kabinet-Den Uyl (in 1977) was de opbrengst van belastingen en premies voor de sociale verzekeringen gelijk aan 44,3 procent van de waarde van de nationale produktie, dat is ongeveer evenveel als dit jaar (44,1 procent). Wel is enige vooruitgang geboekt ten opzichte van tussenliggende jaren waarin het belasting- en premiepeil enkele malen piekte tot boven de 47 procent. De samenstelling van de belastingmix is wèl gewijzigd. Belastingen op consumptie (btw, accijnzen, milieuheffingen) genereren volgend jaar voor het eerst in tijden meer dan de helft van de totale belastingopbrengst. Consumptiebelastingen drukken in verhouding het zwaarste op lagere inkomensgroepen. Het tegelijkertijd krimpende aandeel van de belastingen op inkomens, vermogens en winsten strookt met de forse verlaging van het toptarief van de inkomstenbelasting (van 72 tot 60 procent) en het tarief van de vennootschapsbelasting (van 46 tot 35 procent). Evenals dit elders het geval was, deden deze belastinghervormingen in ons land de inkomensongelijkheid toenemen.

Het was een prijs die in de ogen van belastinghervormers diende te worden betaald, omdat tariefverlagingen heilzaam zouden zijn voor het functioneren van de nationale economie. Maar in feite is overtuigend bewijs voor de beweerde omvangrijke negatieve gevolgen van hoge belastingen voor het niveau van de besparingen, het arbeidsaanbod en de economische groei nog nooit overtuigend geleverd. Dat blijkt uit enkele recente publikaties van de in Parijs gevestigde Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, in dit verband een onverdachte bron. Geloofwaardige studies van het arbeidsaanbod van mannen suggereren dat belastingverhoging kostwinners soms aanzet om juist méér te werken, zodat zij een gewenst netto-inkomensniveau kunnen handhaven.

Een andere hypothese van de aanbodeconomie betreft de rol van de sociale zekerheid: hoe lager de uitkeringen in verhouding tot het laatst verdiende loon zijn, hoe sneller werklozen aangeboden werk zullen accepteren en hoe geringer de werkloosheid in een land is. Vorige week publiceerde het Centraal Planbureau een studie (Replacement rates) die ook aan de houdbaarheid van deze veronderstelling twijfel zaait. Op basis van de regels zoals die in 1993 golden, berekende het CPB voor de twaalf lidstaten van de Europese Unie en drie Amerikaanse Staten (New York, Texas en Californië) het gemiddelde uitkeringspercentage voor een werkloze van veertig jaar die voorafgaande aan het verliezen van zijn baan tien jaar heeft gewerkt en daarna vijf jaar op uitkering aangewezen blijft. Het monnikenwerk van het CPB laat grote verschillen tussen landen en de afzonderlijke Staten van Amerika zien. Uit de CPB-studie blijkt dat de gemiddelde netto uitkering bij werkloosheid in Nederland (78 procent van het laatste netto loon) globaal vergelijkbaar is met die in ons omringende landen.

Anders dan aanbodeconomen voor aannemelijk houden, valt op grond van de CPB-studie geen systematisch verband vast te stellen tussen de hoogte van uitkeringspercentages en de omvang van de werkloosheid. Uiteraard spelen ook tal van andere factoren (ontslagrecht, activerend arbeidsmarktbeleid, economische structuur van een land) een belangrijke rol bij de verklaring van uiteenlopende werkloosheidspercentages. Maar het grensoverschrijdende onderzoek van ons Planbureau zaait eens te meer twijfel aan de kwaliteit van de aanbodeconomische munitie. Gaat het wel om scherpe patronen, of worden in de strijd tegen de verzorgingsstaat nogal eens losse flodders verschoten?