Nieuw vee

Zo heb ik het geleerd en door waarneming kunnen bevestigen: Nederland heeft zwartbonte koeien, langs de rivieren zijn ze roodbont en in de provincie Groningen heb je de blaarkoppen, zwarte koeien met een witte kop en zwartomrande ogen. Zo hoort het. Het is een vertrouwd beeld dat bestand bleek tegen oorlog, schaarste en overvloed: de Nederlandse weilanden bieden elke zomer hetzelfde panorama van bonte koeien die tevreden liggen te herkauwen en al doende hun uiers vullen met melk. Paarden daarentegen werden na de oorlog overbodig. Die verdwenen en wel zo snel dat je kon verwachten dat ze weldra zouden zijn uitgestorven. Tot je ze opeens hier en daar weer in de weilanden terugzag: niet voor het werk, maar voor de luxe. Renpaarden, pony's, rijscholen en maneges.

Ik stond op de Hondsrug en wandelde omlaag naar het Zuidlaarder Meer, ongeveer zoals je van de Alpen afdaalt naar het Lago Maggiore, maar dan in Nederlandse verhoudingen. Van vijf meter NAP tot ongeveer een halve meter. Over een afstand van ongeveer twee kilometer. Van een helling merk je niets, maar het is het oog dat smult. Ik loop langs een brede rietkraag en zie op de verre horizon de gloednieuwe industrieën van Hoogezand-Sappemeer.

Het is een pad van steenslag, overwoekerd door gras. De koeien in het ruige weiland... Je blijft staan van verbazing, je hebt nog nooit zulke koeien gezien. Groot, vaalbruin en met scheef oplopende, smalle ogen. Heel anders dan wat wij 'koeieogen' noemen. Bruine gastkoeien, uit het buitenland. Kleine uiers niet groter dan een handschoen. Gehoornde beesten. Nederlandse koeien hebben geen horens meer. En deze opeens weer wel.

Er is beslist iets gaande met het Nederlandse vee, want de schapen die ik vervolgens zie zijn ook niet meer de schapen die ik gewend ben. Schapen horen wit te zijn, of beige en niet roodbruin. En ze horen een schaapachtige kop te hebben, maar deze hebben de pientere, nieuwsgierige kop van het lam dat ze ooit zijn geweest. Het is een soort schaap dat ik nog nooit heb gezien. Nieuw vee dat, in verband met de Europese Unie, nu makkelijk en zonder controle ons land binnenkomt.

Laatst liep ik in de bossen bij Roden, richting Norg - sparren, eikenhout - om de open heideplek te zien waar de schoolreisjes ons elk jaar heen voerden, of die nog terug te vinden was. Ik liep daar als een oudere, wat weemoedig gestemde heer, toen ik tussen de bomen vier, vijf grote, allochtone oerossen zag - die mij ook zagen. Doodstil stonden ze. Ik ook. Waarna ik geruisloos rechtsomkeert maakte en zo rustig en zo snel mogelijk terugwandelde, want ook deze ossen hadden hoorns; rechte, zijwaarts uitstaande dolken, en ik versnelde mijn pas. Zij ook. Ik hoorde ze snuivend achter mij aankomen, zodat ik begon te hollen. Idioot om in je eigen bossen zo te moeten rennen voor je leven. Ik heb nooit de ambitie gehad mee te doen in Pamplona en was blij net op tijd het wildrooster te bereiken waarvan ik had gedacht dat het was aangelegd ten behoeve van het bijna uitgestorven Drentse heideschaap.

Ze stonden stil, snuivend en goeiig, deden geen stap meer. Wat verstandig van ze was.

Ik loop het pad af naar het meer. De schapen blijven mij verbazen, dit zijn geen schapen. Een normaal Nederlands schaap loopt deemoedig met gebogen kop, maar deze hebben het hoofd geheven als een lama, het zijn kleine lama's. Een zwarte kraag hebben ze en een lange nek. En op een bord bevestigd aan het gaas lees ik dat deze proefexemplaren het in ons land uitstekend doen.

Aangekomen bij een brede vaart, de gekanaliseerde Hunze, kan ik voor vijftig cent en als ik op de fiets was gekomen voor één gulden tien worden overgezet. Maar voor ik word overgezet, koop ik ter plaatse een kilo verse snoekbaars en een pak gerookte paling. Nederlandse waar, daar heb ik opeens erg veel trek in.