Ko-concert als te lawaaiige couture

Ko-concert met muziektheater Tarenskeen, Tsoupaki, Van Bergen en Dramm, door Ilse van Kasteelen (sopraan) en Romain Bischoff (bariton) e.a. Gehoord: 16/10 De IJsbreker, Amsterdam. Uitzending Radio 4: NPS 3/12.

“Gun me eventjes om een onderrok aan te trekken en ik sta tot uw beschikking”, zei Satie aan het eind van zijn leven en hij richtte zich daarbij tot God. Op een enigszins vergelijkbare wijze heb ik de neiging om me op te doffen voor zangrecitals. Het is tenslotte niet ongewoon dat zangpedagogen hun studentes naar huis sturen als ze in broek de les bezoeken. Maar maandagavond in De IJsbreker op het eerste KRO Ko-concert georganiseerd door Arthur Sauer en Huba de Graaff was weinig decorum te bekennen.

Het eerste stuk begon met een scène waarin Romain Bischoff (in de rol van Wagner) zijn meceanas koning Ludwig II (componist Boudewijn Tarenskeen) aftrekt. Het is het voorspel van De Hand van de Meester met een uitermate hilarisch libretto van Erik-Ward Geerlings, waarin vier componisten zich hadden vastgebeten. Overigens stelde Tarenskeen in een verantwoording niet geheel consequent: “Ik wil best mezelf afrukken voor het IJsbrekerpubliek, schaamte ken ik niet, maar dan wel tijdens een uitvoering van Schat of Loevendie, die zijn niet eerlijk in hun kunst. Wagner was dat wel.” Tarenskeens muziek combineert Wagner op de band heel fraai met live muziek, maar het was duidelijk dat hij met die hilarische aspecten weinig aan kon.

Calliope Tsoupaki (eerste akte) stortte zich daarentegen op de tekst in de stijl van Schnittke, met net als in diens Faust-opera een combinatie van musical-elementen en avant-garde, doorspekt met diverse citaten en helaas verzandend in veel te veel poespas.

David Dramm (in de slotakte) combineerde evenals Tarenskeen twee elementen, in dit geval live muziek met een videoband waarop een eigen rap-presentatie was vastgelegd. Ook dit boeide voor een tijdje. Het meest coherent was het betoog van Peter van Bergen (tweede akte), maar die liet de opera dan ook voor wat het was. Of beter: hij selecteerde eenvoudigweg twee elementen: een insektenobsessie (in het script wordt op vliegen gemept) en het veelvuldige copuleren. Hij verdiepte zich in copulerende insekten, wat een spannende, abstracte muziek opleverde.

Ach ja, Erik Satie, díe had met zo'n tekst nog overweg gekund, evenals Strawinsky in zijn Zwitserse periode. Van die twee had men kunnen leren dat stilering de enige oplossing is: schrappen, schrappen en nog eens schrappen. Maar toen Strawinsky succes begon te krijgen haakten de impressionisten af. Debussy die hem aanvankelijk zo bewonderde merkte bitter op: “Strawinsky heeft geen smaak, hij draagt lawaaierige dassen”. En zo zou ik ook deze avond willen samenvatten: als een te lawaaierige couture. Maar respect heb ik voor de uitvoerenden en ook voor de lef van de componisten om zichzelf zo te kijk te stellen.

    • Ernst Vermeulen