Kindsoldaten in Liberia vechten om te overleven

MONROVIA, 17 OKT. Generaal Jungle Wolf is boos. Een soldaat van de Nigeriaanse vredestroepen wil hem de hand schudden, maar waarom salueert hij niet? Jungle Wolf is weliswaar pas elf jaar, maar hij is wel generaal in het rebellenleger en de Nigeriaan heeft slechts de rang van luitenant. Jungle Wolf draait zich om en zonder nog iets te zeggen loopt hij het vochtige Liberiaanse oerwoud in.

Het leven is geen kinderspel voor de duizenden kindsoldaten in Liberia. Als rebellen in dienst van de krijgsheren hebben zij van Liberia het land van het barbarisme gemaakt. Sinds de oorlog in 1989 uitbrak terroriseren zij ouderen, priesters, nonnen, handelaren, hulpverleners, politici, iedereen. Ze vechten, plunderen, verkrachten, martelen, snijden geslachtsdelen af, onthoofden mensen en eten soms zelfs lichaamsdelen van hun slachtoffers op. Ze dragen veelal bizarre kledij, zoals nachtjaponnen en onderjurken en zetten pruiken op. Deze kindstrijders vormen het voornaamste probleem in het onlangs op gang gekomen vredesproces in deze Westafrikaanse natie. Hoe kunnen ze worden ontwapend, hoe kunnen deze losgeslagen wilde tieners weer tot mensen worden gemaakt?

Commandant Fear No Man is twintig jaar. “Ik ben een van de oudsten”, vertelt hij, “de meeste van onze rebellenstrijders zijn onder de veertien jaar.” Een jaar geleden namen soldaten van de Westafrikaanse vredesmacht Ecomog hem gevangen, waarna hij besloot naar school terug te gaan. “Iedereen in Liberia lijdt honger”, vervolgt hij. “Het is dus niet zo moeilijk om kinderen te recruteren. Je belooft ze voedsel, wat inhoudt dat je ze het recht verleent om te plunderen. Onderschat die jochies vooral niet, ze vrezen niets en niemand, het zijn geweldig goede vechters.”

Grand Commander Superman is zestien jaar. Hij gaf zich een halfjaar geleden over. De vraag of hij nooit pijn voelde in zijn hart als hij onschuldige bewoners terroriseerde, brengt een uitdrukking op zijn gezicht van: Heb je het nog nou steeds niet begrepen? “Wat had ik anders kunnen doen?”, zegt hij. “We wisten toch dat de bewoners ons niet vrijwillig voedsel zouden afstaan? Je wilt overleven, dus je denkt alleen nog aan jezelf. Je wilt geld, je wilt met vrouwen spelen. Je drinkt alcohol en je rookt marihuana.”

Majoor Charlie Born Trouble (19) heeft zwijgend zitten meeluisteren. Hij zit ineengedoken, knippert zenuwachtig met zijn oogleden en wrijft herhaaldelijk over zijn hoofd. Hij vraagt om begrip. Sinds hij zich overgaf kan hij niet meer slapen, als hij alleen is wordt hij gek. “Ik heb geen leven meer”, murmelt hij. Dan rijst hij uit zijn foetushouding en verklaart: “We zullen onze excuses moeten aanbieden. Het spijt ons wat we deden, maar we waren stoned en dronken.” Commandant Fear No Man en Grand Commander Superman knikken instemmend.

Pag.6: 'In naam van de vrede vergeven we hun'

Enkele duizenden junglestrijders gaven er het afgelopen jaar spontaan de brui aan. Guns for schools heet hun demobilisatieprogramma. Wil het in augustus gesloten vredesakkoord een kans maken, dan zullen enkele tienduizenden hun weg moeten volgen. Al eerder gedemobiliseerde strijders wijzen erop hoe moeilijk dat zal zijn. Voor het verlies aan macht, aan voedsel, geld en vrouwen valt moeilijk compensatie te vinden. Kinderen die geen ander leven kennen, geven deze privileges niet gemakkelijk op. “Het is eigenlijk een probleem voor de kinderrechter”, legt de Amerikaan Rick Berton uit. Hij is deskundige op het gebied van de ontwapening en maakt deel uit van de Amerikaanse delegatie die president Clinton naar Liberia stuurde om te zien hoe de VS kunnen helpen bij de demobilisatie.

Berton schat het aantal 'werkelijke' soldaten van de zeven rebellenfacties op tienduizend. Niet iedereen is het met dat aantal eens. John Richardson is lid van het Nationale Patriottische Front van Liberia (NPFL), de grootste rebellenbeweging, geleid door Charles Taylor. In de overgangsregering waarin de krijgsheren zitting hebben leidt hij het comité voor demobilisatie en ontwapening. Richardson houdt het op 74.000 te demobiliseren soldaten, waarbij hij de talrijke soldaten meerekent die niet altijd over een geweer kunnen beschikken.

Richardson klaagt over het gebrek aan internationale hulp voor het demobilisatieproces, dat volgens het vredesplan op 1 december moet beginnen. De Westafrikaanse vredesmacht Ecomog zal de demobilisatie en ontwapening uitvoeren maar beschikt slechts over zesduizend man. Geld van donoren voor de uitbreiding van Ecomog laat nog op zich wachten. Richardson signaleert een ander zeer acuut probleem. Nu de krijgsheren comfortabel in de hoofdstad Monrovia zitten, voelen hun strijders in het oerwoud zich in de steek gelaten. Nog meer dan vroeger persen zij de bevolking uit en raken zij onderling slaags. “Er moet heel snel iets gebeuren”, waarschuwt Richardson, “anders komt het vredesproces in gevaar.”

De helft van de drie miljoen Liberianen is ontheemd of het land ontvlucht. Driekwart van de bewoners in het land zit al jaren aan een infuus van voedselhulp. Hoe zullen deze geterroriseerde Liberianen de terugkerende strijders weer in hun gemeenschappen kunnen opnemen? Richardson: “Als onderdeel van de demobilisatie moeten de strijders in hun dorpen helpen met de heropbouw. Op die manier kunnen ze weer enig respect opbouwen.”

Stamhoofd Isac in het dorpje Goba wijst naar het weelderige woud. “Daar zitten de strijders”, zegt hij, “en daar, iets verderop, ligt mijn akker. Al twee jaar ben ik er niet meer geweest. Wat heeft het voor zin te zwoegen als die kindsoldaten toch mijn rijst stelen?” De oudere mannen rond hem vertellen ieder op hun beurt verschrikkelijke ervaringen met de kindsoldaten. Maar zij tonen zich de wijze oudsten van het dorp, zij laten zich niet overmannen door wraakgevoelens. Een heer zonder tanden neemt het woord. “In het belang van de vrede zijn we bereid te vergeven. We zullen de kindsoldaten naar de zondagschool zenden en ze opnemen in het kerkkoor”, verkondigt hij. “Bovendien, onze woede richt zich op de krijgsheren. Zij veroorzaakten de oorlog, niet de kindsoldaten. I am only small small angry with the soldierboys.”

De Liberianen stellen de op macht beluste krijgsheren verantwoordelijk voor hun lot. Niet iedereen is bereid hun te vergeven. “Charles Taylor zelf en de andere krijgsheren zeggen nu het verleden te willen vergeten”, vertelt Samuel Woods van de mensenrechtenorganisatie Justice and Peace. “Het vormt een slecht precedent als we hun vergeven. De krijgsheren die op onvoorstelbare wijze de mensenrechten schonden, krijgen op die manier politieke legitimiteit. Deze krijgsheren die altijd alle macht voor zichzelf opeisten, zitten nu in de overgangsregering die over een jaar vrije verkiezingen moet organiseren. Ze zijn en blijven gangsters. De waarheid over alle door hen begane misdaden moet op tafel komen. Anders kan er in Liberia geen rechtstaat worden gevestigd en verzoening tot stand komen.”

Professor Togba-Nah Tipoteh voerde zijn hele leven oppositie tegen de achtereenopvolgende Liberiaanse machthebbers. De wapens nam hij echter nooit op en er kleeft geen bloed aan zijn handen. Tipoteh hoopt zich bij de presidentsverkiezingen als burgeralternatief voor de krijgsheren kandidaat te stellen. “Tijdens de verkiezingscampagnes zal de waarheid over de krijgsheren naar buiten komen”, voorspelt hij. “Als er werkelijke vrije verkiezingen worden gehouden, zal geen enkele krijgsheer kunnen winnen.”

De van angst bezeten Liberianen zullen hem, zo luidt de verwachting van waarnemers in Monrovia, vermoedelijk in het ongelijk stellen. Zij hunkeren naar een einde aan de barbaarse onzinnigheid. Zonder medewerking van de grootste krijgsheer, Charles Taylor, lijkt dat doel onbereikbaar. De meeste Liberianen zullen dus vermoedelijk op hem stemmen. Want, zoals er staat gekladderd op een door slingerplanten overwoekerd vernietigd huisje in het Liberiaanse oerwoud: No Taylor - no peace.

    • Koert Lindijer