Katterige flirt van andersgeaarden

Concert: Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Edo de Waart. Werken van Mozart, Weber en Beethoven, m.m.v. Eric Hoeprich. Gehoord: 16/10 De Doelen, Rotterdam. Herhalingen: 17/10 Eindhoven; 18/10 Nijmegen; 20/10 Venlo; 21/10 Groningen; 22, 23/10 Utrecht; 24/10 Amsterdam.

Dezer dagen leidt Edo de Waart het Orkest van de Achttiende Eeuw. Het is een eer die, in de veertien jaar dat het doorgaans zo monogame ensemble van Frans Brüggen intussen bestaat, ook Roger Norrington al eens ten deel is gevallen. Maar dat is minder verwonderlijk als men bedenkt dat Norrington evenals Brüggen een oude-muziekspecialist is, iets dat van De Waart allerminst kan worden beweerd.

Hoewel hij een generalist is, heeft De Waart zijn sporen met name verdiend met het laatromantisch repertoire. In opera's van Wagner en symfonieën van Mahler weet hij onder dwingende spanningsbogen onvermoede details aan te wijzen.

Wat op papier daarom een avontuurlijk overspel van het Orkest van de Achttiende Eeuw leek, bleek in de praktijk echter uit te monden in een nauwelijks bevredigend avontuurtje, in een oppervlakkige flirt van andersgeaarden. Terwijl het programmaboekje van het concert in De Doelen maandagavond een ouverture van Louis Spohr beloofde, werd deze stilzwijgend vervangen door Mozarts Don Giovanni-ouverture. Naar de motivatie was het gissen, maar voorafgaande aan het Eerste klarinetconcert van Carl Maria von Weber, met een Allegro vol onheilspellende Mozartiaanse harmonieën en een even Mozartiaans Adagio, was het een keuze die programmatisch zeker te billijken viel. Punt was alleen dat de Don Giovanni-ouverture alle dramatiek ontbeerde; ze was zouteloos en plichtmatig.

Met Webers Klarinetconcert was het weinig beter gesteld. De Waart slaagde er niet in solist en orkest bijeen te houden. De snelle riedels van klarinettist Eric Hoeprich wekten in het Allegro de indruk ieder moment te kunnen ontsporen; het sobere samenspel tussen solist en hoornsectie dat in het Adagio zo'n verstilde meditatie kan zijn, leek door het moeizame intoneren van de hoorns een aubade van een katterig dweilorkestje.

Toen uiteindelijk een transparante Zesde symfonie van Beethoven volgde, waarin orkest en dirigent het over de meeste punten eens leken te zijn, was er kortom veel krediet verspeeld. Niettemin wist Edo de Waart het Orkest van de Achttiende Eeuw in de Pastorale te verleiden tot soepele crescendi, accurate wisselingen van sterktegraden en nauwsluitend maatwerk voor de motieven die zich door de afzonderlijke instrumentengroepen bewegen. Tijdens de in noten gevangen onweersbui viel bovendien die dramatiek te beluisteren, die in de Don Giovanni-ouverture zo ver te zoeken was. Maar één geslaagde Beethoven-symfonie op een hele avond is een wankele basis om deze liaison voort te zetten.