Indonesië noemt de namen van drie 'communisten'

JAKARTA, 17 OKT. Na wekenlange waarschuwingen voor een 'herleving van het communisme' hebben de strijdkrachten van Indonesië (ABRI) voor het eerst namen genoemd. Luitenant-generaal Soeyono, chef-staf algemene zaken en een van de hoogste ABRI-officieren, identificeerde gisteren drie dissidenten als sleutelfiguren van dit 'communistisch reveil': de schrijver Pramoedya Ananta Toer, de wetenschapper en milieu-activist George Aditjondro en de vakbondsleider Muchtar Pakpahan.

Het dagblad The Jakarta Post citeerde Soeyono, een voormalige adjudant van president Soeharto, vanmorgen in een openingsartikel. De generaal repte van “organisaties die voortdurend van vorm veranderen en wier activiteiten het onmiskenbare stempel dragen van de PKI”, de verboden Communistische Partij van Indonesië. De PKI werd door de legertop verantwoordelijk gesteld voor een mislukte coup van linkse officieren op 1 oktober 1965. Daarna werden veel communisten geliquideerd. “De organisatievorm verandert voortdurend, maar de mensen op de achtergrond zijn steeds dezelfde”, zei de generaal en noemde vervolgens de drie dissidenten. Zij zouden erop uit zijn om communistische leerstellingen te verbreiden onder de jeugd “onder de dekmantel van democratie en mensenrechten”. Soeyono: “Hun doelstelling is duidelijk: de regering omverwerpen, een wig drijven tussen volk en ABRI en deze natie vernietigen”.

Pramoedya Ananta Toer (70) is een internationaal geacht romancier en essayist. Hij werd kort na de mislukte coup van 1965 door het leger opgepakt wegens 'banden met de PKI'. Pramoedya is nooit lid geweest van die partij, maar was in de jaren 1962-'65 actief in het Instituut voor Volkscultuur (Lekra), dat wel wordt beschouwd als de 'culturele arm' van de PKI. In die jaren schreef hij voor de PKI-gezinde krant Bintang Timur (Ster van het Oosten) een cultuurpolitieke rubriek, 'De Lantaarn', waarin hij een lans brak voor het 'socialistisch realisme'. Na de coup verdween Pramoedya voor dertien jaar naar het Molukse gevangeniseiland Buru. Sindsdien is zijn werk in Indonesië verboden. Vorige maand kreeg hij de Ramon Magsaysay Prijs, de meest prestigieuze culturele onderscheiding van de Filippijnen, maar hij mocht van de regering het land niet uit. Zijn vrouw nam de prijs in Manila in ontvangst.

Dr. George Aditjondro (49) deed in 1966, als lid van een rooms-katholieke studentenorganisatie, mee aan anticommunistische betogingen. Hij werkte voor het inmiddels verboden weekblad Tempo en was actief in de Indonesische milieubeweging. Aditjondro promoveerde in de VS op een studie over de Kedung Ombodam, een veel bekritiseerd project van de Wereldbank, en doceerde enkele jaren aan de christelijke universiteit Satya Wacana in het Middenjavaanse Salatiga. Door zijn kritische publikaties over het legeroptreden in Oost-Timor kreeg hij het aan de stok met Soeyono, destijds militair commandant van Midden-Java. Begin dit jaar werd een proces tegen hem voorbereid wegens belediging van president Soeharto en accepteerde hij een leeropdracht aan een Australische universiteit.

De derde dissident die door Soeyono voor cryptocommunist wordt uitgemaakt, is dr. Muchtar Pakpahan (41), jurist en voorzitter van het Indonesische arbeidersverbond 'Welvaart' (SBSI), die door de regering niet wordt erkend. Vorig jaar werd hij tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens vermeende verantwoordelijkheid voor een stakingsgolf in Noord-Sumatra, maar begin deze maand werd hij vrijgesproken door de Hoge Raad. Hij is de zoon van Sutan Johan Pakpahan, een vooraanstaand lid van de communistische boerenbond in Noord-Sumatra, die stierf toen Muchtar 11 jaar oud was.