Een vergeefse dood

HILVERSUM. Marcel Kretzer werd, zoals dat wel eens gebeurt in dit land, vorige week maandag doodgetrapt. Hij was 's avonds laat met vrienden uitgeweest, en hij was daarna nog even zijn fiets gaan halen. Later werd hij gevonden, in het winkelcentrum van Hilversum, in een grote plas bloed. Hij was vijfentwintig jaar, hij had lang haar en een brilletje, en hij was de vredelievendheid zelve.

Bij Marcel kwam alles uit het hoofd. Hij was een echte whiz-kid, zo'n computerjongen die alles doorhad, hij was mede-oprichter van een woon-werkgemeenschap voor jonge kunstenaars, hij was bezig met het opzetten van een eigen bedrijfje voor beeldanimaties en TV-reportages en hij was net begonnen als gitarist in een nieuwe band. Hij vond het fantastisch. Afgelopen zaterdag zou een hoogtepunt zijn, dan zouden ze voor het eerst in Amsterdam optreden. Maar toen was hij al vier dagen dood, en zijn vrienden hadden in hun ontreddering de hele stad ondergeplakt, want Marcel mocht van hen geen cijfertje in een statistiek worden, dat nooit.

De kunstenaarsgemeenschap rondom Marcel deed in de verte denken aan het gezelschap dat de hoofdrol speelde in dertiendelige filmserie Die Zweite Heimat van Edgar Reitz. Ook in de villa van 'Lupus Ludens' - de spelende wolf - was de gemiddelde leeftijd rond de vijfentwintig, en iedereen hield zich er bezig met muziek, mode, theaterperformances, film, computeranimaties en wat de moderne tijd al niet verder aan mogelijkheden opende.

Die maandagochtend om negen uur kreeg Christiane, een van zijn huisgenoten, een telefoontje van de recherche, over Marcel, dat hij gewond was. “Er is bij ons wel eens wat vaker aan de hand, dus we dachten: met Marcel komt het wel weer goed.” Ze ging wat spullen voor hem pakken, voor in het ziekenhuis. Maar wel trommelde ze haar andere huisgenoten uit bed, en ook een paar verdere vrienden werden gewaarschuwd. Toen belde zijn moeder: dat hij hersendood was, dat alles wat maar kapot kon kapotgetrapt was, zijn ingewanden, zijn milt, zijn nieren, zijn hoofd, alles stuk.

Met zijn twintigen hebben ze de rest van die avond zitten wachten en waken, hopend op een wonder. Twee van zijn vrienden brachten de nacht op straat door, voor het café waar het gebeurd was. “Je begint op de een of andere manier te bidden”, zei Christiane, “Ik ben helemaal niet gelovig, maar toch.” Marcel stierf de volgende ochtend, bij het eerste licht. Maar niemand kon geloven dat hij echt dood was. Die dinsdag besloten ze een affiche te maken: “Het gebeurt. In het centrum van Hilversum. Onze vriend Marcel is op beestachtige wijze doodgeslagen. Totaal geschokt blijven wij achter met onze honderden vragen. Staan wij alleen?”

Op de plek zelf, schuin tegenover de ijskasten van Scheer en Foppen en het Wedgewood van Feeterse, werden ondertussen bloemen gelegd en kaarsen aangestoken. Jongens en meisjes zaten dag en nacht tegen een winkelpui, losten elkaar af in een spontane dodenwake.

Woensdagochtend begonnen ze het hele centrum van Hilversum onder te plakken, terwijl de winkels opengingen en de straten steeds drukker werden. Christiane: “Plakken is ook een vorm van geweld. Met affiches kun je prima terugslaan.” Het was een vorm van doen en rouwen tegelijk, die plakpartij. De politie keek nadrukkelijk de andere kant op. Uit de affiches vloeide een tweede actie voort, een uitnodiging aan heel Hilversum voor een openbare koffiemaaltijd, op zaterdagochtend, “om de dood een gezicht te geven”, zoals een van de jongens zei.

Vrijdag werd Marcel in zijn graf gelegd, met honderd vrienden en duizend bloemen, en een beer en een vliegend paard. Die avond begonnen zijn vrienden in de villa pas werkelijk afscheid van hem te nemen, onder elkaar, met wijn, verhalen en gedichten. Er werd voor hem gedanst, de band speelde een speciaal voor hem gecomponeerd nummer, Christiane zong voor hem. “Zo hebben we hem uitgewuifd, ja. Hij hoefde er niet meer te zijn.” Maar veel van zijn vrienden hadden nog steeds het gevoel dat hij ieder ogenblik weer om de hoek kon stappen: “Sorry jongens, grapje, beetje uit de hand gelopen, sorry.” De volgende ochtend stond een tientallen meters lange tafel in de winkelstraat, wit gedekt, vol bloemen en taarten, aangeleverd door de aangrenzende winkeliers. Op de plek stond een groot portret van Marcel, de bloemen waren aangegroeid tot een kleine heuvel. De tafel bond en verdeelde de straat tegelijk: aan de ene kant de vriendenclub van Marcel, aan de andere kant de mensen. De winkelende Hilversummers liepen er aarzelend langs, vaak hielden ze halt, soms gingen ze zitten en dronken een kop koffie. “We moeten hier een monument neerzetten”, zei een gemeenteraadslid. “Den Haag”, zei een oudere mijnheer. “De doodstraf”, zei een ander, maar een mevrouw sprak hem tegen: “Dan verlaag je jezelf als een beest.” Een oudere dame liet een gedicht circuleren: “Het leed is niet te peilen. Dat kinderen wordt aangedaan.” “Ik vind dit heel emotioneel.” “Heel fijn, ja.” “Of ze de dader vinden of niet, hij zal zich in elk geval voor Gods troon moeten verantwoorden.” “Dat moet hij zeker, mevrouw.” “Dat zijn z'n vrienden, die zorgen dat hij niet vergeten wordt.” “Jammer dat-ie dood is, hè mam.”

Christiane voerde samen met Katy een performance uit, met langzame, strakke gebaren, gekleed in witte jurken met kappen en lange slepen, een vertraagd ballet voor twee bruiden. De zon scheen, de klokken luidden, de TV-camera's zoemden, een jongen roffelde omfloerst op een trom en het leek wel Pasen. Ik weet niet wat ik verder aan dit verhaal moet toevoegen. Op diezelfde zaterdag stonden de kranten vol over de onttakeling van de familiezin, de verslapping van normen en beleefdheden, de verloedering van de wereld en van de jeugd in het bijzonder. Het zal allemaal wel.

Mensen hebben soms de neiging om te zeggen dat Marcels dood niet vergeefs was, maar dat is natuurlijk onzin. Bij zijn vrienden bleef bij vlagen het ongeloof terugkomen.

    • Geert Mak