Een 'tweede klasse' van naties

De show werd ongetwijfeld gestolen door president James Wolfensohn van de Wereldbank. Zijn wervelende debuut vorige week tijdens de gezamenlijke vijftigste jaarvergadering van het Internationaal Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank stelde andere acteurs enigszins in de schaduw.

Vorig jaar in Madrid gaven de opkomende ontwikkelingslanden luidruchtig blijk van hun aanwezigheid. Zij gingen niet akkoord met voortzetting van speciale leningsfaciliteiten voor ex-communistische landen. Het was een reactie op de weigering van de industrielanden om de speciale trekkingsrechten (kunstmatige liquiditeiten van het IMF voor alle lidstaten) uit te breiden.

De opkomende ontwikkelingslanden, beter is van 'nieuwe industrielanden' te spreken, manifesteerden zich in Washington opnieuw. Dit keer ging het op subtielere wijze, maar de boodschap was niet minder duidelijk. Ministers van financiën en bankpresidenten van landen als China, Zuid-Korea, Maleisië, Indonesië en Brazilië wezen op het toenemende belang van hun economieën voor de wereld. Volgens een prognose van het IMF zullen de ontwikkelingslanden in 2004 zelfs een groter aandeel in de wereldeconomie hebben dan de industrielanden. Dat kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven voor de zeggenschap binnen de internationale financiële instellingen. Het thema zal de komende periode ongetwijfeld steeds nadrukkelijker aan de orde komen.

De Chinese bankgouverneur, Liu Zhongli, zei het onomwonden. “De afgelopen zestien jaar is de economie van China gemiddeld met negen procent gegroeid. Het huidige aandeel in het IMF is geen afspiegeling meer van onze toenemende economische kracht. We zijn zeer bezorgd over deze anomalie.” Bankgouverneur Jae-Hyong Hong van Zuid-Korea, een land dat op de drempel staat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), sprak van de ongewenste “divergentie” tussen economische omvang en stemrecht binnen het IMF.

Het stemrecht alsmede het kredietplafond is gerelateerd aan de toegewezen quota's. Dit zijn de reserves van centrale banken die elk land naar rato bijdraagt in het kapitaal van het IMF. Ten hoogste om de vijf jaar heeft een herziening van de quota's plaats. Het management van het IMF vindt over één à twee jaar een verdubbeling van de quota's nodig. Het snel groeiende leningenvolume (steeds meer landen voeren marktgerichte structurele aanpassingsprogramma's uit) en de groei van de wereldeconomie vormen de belangrijkste argumenten.

Alle lidstaten zijn het erover eens dat er een quotaverhoging moet komen, al lopen de meningen over de precieze omvang nog wel wat uiteen. Ten minste zo belangrijk bij de komende elfde quotaherziening is hoeveel elk land krijgt toegewezen. De rijke industrielanden proberen de boot af te houden als het om zeggenschap gaat.

Dat bleek ook al bij de discussie over een soort noodfonds voor de afwikkeling door het IMF van financiële crises à la Mexico. Hiervoor moet de Algemene Leningen Overeenkomst van de G10 (elf rijke landen, waaronder Nederland) worden uitgebreid met de opkomende landen. Om de nieuwkomers buiten het belangrijke economische forum van de G10 te houden, willen de rijke industrielanden een 'parallelmechanisme' creëren dat uitsluitend over het noodfonds gaat. De gevestigde economische machten gebruiken als argument dat toelating van nieuwe landen tot de G10 de slagkracht van het forum zal ondermijnen. Binnen de G7, waarin evenmin opkomende economieën zijn vertegegenwoordigd, valt hetzelfde te horen.

Afgezien van de vraag of een dergelijk argument hout snijdt, het argument kan in elk geval niet gelden voor de stemverhouding binnen een multilaterale instelling als het IMF. De afhoudende opstelling van de rijke industrielanden lijkt enigszins van emotionele aard. Voor sommige is het kennelijk wennen dat de economische krachtsverhoudingen in de wereld verschuiven.

Rationeel is er geen reden tot zorg. In de wereldomvattende markteconomie is de interdependentie immers steeds groter en lopen de belangen tussen landen steeds minder uiteen. Ontwikkelingslanden blijken in toenemende mate als locomotief voor de wereldeconomie te fungeren. In zo'n wereld mag, in de woorden van de Australische bankgouverneur Ralph Willis, geen “tweede klasse” van naties ontstaan.