Drie Poolse mannen kwamen langs

Met ruggen die kaarsrecht stonden van de zenuwen, hebben meneer en mevrouw Lagerlaan op het begin van hun rechtszaak zitten wachten. Zonder advocaat, want die zijn tegenwoordig duur, te duur voor mensen die toch al met financieel malheur te kampen hebben. De Lagerlaans zijn een echtpaar van middelbare leeftijd uit Lisse en ze leven van de opbrengst van snijbloemen.

“U heeft een bollenkwekerij”, zegt de Haagse economische politierechter, mr. A. van den Berg.

“Een bloemenkwekerij”, verbetert de verdachte, Hendrik Lagerlaan. Zijn vrouw Louise heeft vlak achter hem plaatsgenomen, als een tijgerin die haar welp niet uit het oog durft te verliezen.

Op een dag hadden drie Poolse mannen, illegaal in Nederland, bij Lagerlaan aangeklopt. Of hij nog werk voor hen had. Hun komst was een geschenk uit de hemel geweest voor Lagerlaan.

“Ik moest die bloemen in twee, drie dagen oogsten”, vertelt hij de rechter. “Mijn vrouw en kinderen hadden steeds geholpen, maar mijn vrouw was verkouden en mijn kinderen moesten die maandag weer naar school. Ik kon geen andere mensen krijgen.”

“Die Polen waren volstrekt ongeschoold.”

“Ze moesten alleen maar bloemen in bakken zetten.”

“U had via het Gewestelijk Arbeidsbureau mensen kunnen krijgen, zij zeggen dat er voldoende aanbod is.”

“Die mensen komen niet voor één dag werken als ze een uitkering hebben. Dat doet niemand.”

“Maar u heeft het GAB niet eens meer gebeld. Vindt u niet dat u daardoor zwakker staat?”

“Dat is in mijn nadeel. Ik kan nu niet aantonen dat er niemand zou zijn gekomen.”

Het is niet de eerste keer dat Lagerlaan voor een dergelijk delict moet voorkomen - en hij is ook niet de enige bloem- of bollenkweker uit Lisse en omstreken die op deze manier zondigt. Er gaan in het Westland heel wat arbeidsuren verloren door de treurige gang naar de rechter.

“In 1993 kreeg u al een boete van 6.000 gulden”, houdt de rechter Lagerlaan voor. “Onhandig van u.”

“Erg onhandig. Het zal me ook niet meer gebeuren. Maar ja, de bloemen staan op het veld, en daarbij komt ook nog dat ik zelf gehandicapt ben. Ik kan eigenlijk alleen in de schuur werken.”

“Op de weg naar Lisse zie je tegenwoordig overal bordjes 'No work' staan”, constateert de rechter.

“Toch komen ze op hun knieën om werk vragen”, zegt Lagerlaan.

“Hoeveel betaalt u?” vraagt de officier, mr. J. de Waardt. “Eerlijk graag.”

“Twaalf gulden per uur.”

“Dan bent u een goede betaler”, zegt de officier, “er wordt vaak maar acht gulden betaald.”

“Maar het is ook een eerlijke man!” roept mevrouw Lagerlaan plotseling, klaar voor de sprong indien de officier haar man wil verslinden.

“U moet u er buiten houden, mevrouw”, maant de rechter.

Een sterkere stimulans heeft mevrouw Lagerlaan niet nodig om die malle heren in toga met hun neus op de harde feiten van de kwekerswereld te drukken. “Mijn man kan niet werken, zoals anderen”, zegt ze, “hij is gehandicapt, heeft een aangepaste fiets. Het valt allemaal niet mee. Wij willen liever geen bordje in de tuin: 'Te koop'. Daarom kookt mijn dochter van acht, en werk ik buiten. We doen er alles voor, anders gaan we failliet. Het gaat nu redelijk, maar je moet altijd doorgaan. Bloemen kunnen zwaar zijn, dat verzeker ik u.”

“Wat is uw inkomen?” vraagt de rechter aan de verdachte.

“In 1993 was het vijftig mille, vorig jaar was het iets beter.”

“Met hoevelen moet u daarvan leven?”

“Met drie kinderen.”

“Toen u die zes mille destijds moest betalen, heeft u toen niet gedacht: dit doe ik niet meer?” vraagt de officier.

“Ik was het ook niet van plan. Ik kreeg toen ook nog een naheffing van 4.700 gulden. Slapeloze nachten. Maar dan zie je je bloemen staan op een moment dat de prijs goed is...”

“Met boete heb je nog minder winst.”

“Daar denk je niet aan. Het was ook nog slecht weer.”

Mevrouw Lagerlaan kan het niet meer aanhoren. “We doen het net één dag”, roept ze vertwijfeld, “en juist op die dag word je gepakt. Is dat niet verraaien werk?”

“Ik weet het niet”, zegt de officier, en àls hij het weet, zal hij het niet zeggen.

“Ik word er ziek van”, zegt mevrouw Lagerlaan.

“Dat zou ik niet doen”, zegt de officier, “het verpest uw leven.” Hij begint aan zijn requisitoir. “Wil er voor één dag niemand werken? Het ligt eraan wat je betaalt.”

“Mag ik nog iets zeggen?” vraagt mevrouw Lagerlaan.

“De officier is aan het woord”, kapt de rechter af.

“U had het arbeidsbureau kunnen bellen”, zegt de officier. “Maar Polen zijn goedkope arbeidskrachten, ze werken voor een krentenbol. Dit is een dom, hebberig feitje. Het kost de gemeenschap veel geld als u illegalen laat werken. Ik eis drie maal 4.000 gulden. Een duur sommetje.”

En een duur blommetje.

Maar mevrouw Lagerlaan geeft de ongelijke strijd nog niet op. “We hebben eens twee jongens via het arbeidsbureau uit Leiden gekregen”, zegt ze ongevraagd. “Die gingen op een dag gewoon naar zee. We hebben ze nooit meer gezien. Ze hebben hun geld niet eens opgehaald! En dan moet je maar zien hoe je je bloemen binnenkrijgt.”

De rechter vraagt of meneer Lagerlaan nog iets te zeggen heeft. “Ik vind het moeilijk”, zegt hij, “het bedrag is erg hoog.”

“U kunt een boete in termijnen betalen.”

“Ik wil het in één keer betalen, dan is het uit mijn gedachten.”

“Ik zou gaan zitten”, zegt mevrouw Lagerlaan.

De rechter wil er rekening mee houden dat het snijbloemenwezen zorgelijke tijden doormaakt, en hij bepaalt de boete daarom op 12.000 gulden waarvan 6.000 voorwaardelijk. “Als u niet betaalt, gaat u zestig dagen de gevangenis in.”

“Dat is twee maanden”, becijfert mevrouw Lagerlaan, alsof het daarmee sneller voorbij is.

Maar meneer Lagerlaan ziet zich nog niet plaatsnemen op het stilletje voor gehandicapte gevangenen. Nee, hij gaat niet in beroep, zegt hij tegen de rechter, hij wil de zaak meteen afsluiten. Enigszins hinkend loopt hij met zijn vrouw weg. Zij roept nog: “Tot ziens...oh nee, dat mag ik niet zeggen.”

“Ik zie u liever op de bloemenmarkt”, zegt de rechter.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams