Docters van Leeuwen mag bij VPRO reageren

DEN HAAG, 17 OKT. Procureur-generaal A. Docters van Leeuwen krijgt van de VPRO de gelegenheid te reageren op de beschuldigingen die in het programma Lopende Zaken tegen hem zijn geuit.

Dit heeft de directeur televisie van de omroep, H.M. van den Brink, vanochtend gezegd. Volgens Van den Brink kan Docters van Leeuwen vrijdag zijn reactie geven in het radioprogramma Argos. De voorzitter van het college van PG's had bij de VPRO om opheldering gevraagd naar aanleiding van het programma Lopende Zaken, afgelopen zondag. Daarin zei advocaat M. Mantz dat een criminele informant van de politie in opdracht van Docters van Leeuwen voor de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden slechts een beperkte verklaring zou mogen afleggen. Docters van Leeuwen zou dat tegen de informant, F., hebben gezegd in een gesprek op het hoofdbureau van politie in Den Haag.

F. werd in 1993 gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij de invoer van tweehonderd kilo cocaïne.

Docters van Leeuwen wijst de beschuldigingen als zou hij druk hebben uitgeoefend op de informant als “nonsens” van de hand. Hij zegt de informant niet te kennen, en dus ook nooit met hem te hebben gesproken. “We hebben contact opgenomen met hoofdofficier van justitie Blok in Den Haag”, zegt een woordvoerder van het OM. “Daar is niets bekend van een dergelijk gesprek. Ook niet bij de korpsleiding van de politie in Den Haag.”

Docters van Leeuwen schreef naar aanleiding van de uitzending een brief naar VPRO-voorzitter Heerma van Voss. Daarin eist Docters opheldering over de “ernstige beschuldiging” door de VPRO aan zijn adres. Hij wil op zeer korte termijn weten waarom de VPRO bij een dergelijke beschuldiging ervan af heeft gezien het journalistieke principe van hoor en wederhoor toe te passen. Bovendien vraagt de procureur-generaal of en hoe de omroep de suggesties wil rectificeren.

“Daar kan ik niks mee”, zei Van den Brink vanochtend. “Hoe moet ik dit rectificeren? Twee mensen zeggen iets over Docters van Leeuwen. Moeten we nog eens vragen of ze het wel zeker weten?” Volgens Van den Brink blijft de informant, met wie opnieuw contact is geweest, bij zijn verhaal.

De enquêtecommissie kent een informant die met F. wordt aangeduid en heeft ook contact gehad met diens raadsman. Overigens is nog niet besloten de man op te roepen voor een verhoor.