De eerste Rotterdammer op de maan

Vorige week ging Apollo 13 in première, met Tom Hanks in de hoofdrol. De bemanning van het ruimteschip keerde door een technische misser bijna niet terug naar aarde. Ook een andere maanreiziger maakte in het heelal bange uren door - vooral saillant omdat zijn belevenissen in de vroege negentiende eeuw plaatsvonden. Het was, moet u weten, ene Hans Pfaall, niet Neil Amstrong, die als eerste aardbewoner zijn voetsporen in het maanstof drukte. En had Pfaall er destijds aan gedacht een vlag mee te nemen, dan had nu de Hollandse driekleur op de maan gepronkt; de astronaut avant la lettre kwam namelijk uit Rotterdam.

Het was Edgar Allen Poe die zijn Amerikaanse lezers met de maanfabel in de luren trachtte te leggen. In The Southern Literary Messenger van juni 1835 publiceerde Poe, nooit om een bizar hersenspinsel verlegen, het relaas van de onverschrokken ruimtereiziger. Ondanks het hoge Münchhausen-gehalte van het artikel raakte menig lezer ervan overtuigd dat het waagstukje van de Vliegende Hollander echt had plaatsgevonden.

Het lot was Hans Pfaall, voordat hij op 1 april 1830 het luchtruim koos, niet erg gunstig gezind geweest. De Rotterdammer had jarenlang hard gesappeld als blaasbalgreparateur, maar door de opkomst van de krantenindustrie had hij nog maar weinig klandizie; de meeste mensen die hun haardvuur wilden aanwakkeren, maakten gebruik van een inderhaast gegrepen krant. Schuldeisers zaten de inmiddels straatarme Pfaall voortdurend op de huid, en zijn financiële rampspoed maakte hem bitter en wraakzuchtig. Zo rijpte langzaam het plan om zich van zijn schuldeisers te ontdoen, en vervolgens aan de aardse werkelijkheid te ontsnappen met een gasballon die in staat moest zijn de maan te bereiken.

Pfaall verkocht zijn laatste bezittingen en bouwde in het geheim een ballon die Phileas Fogg een jaloezieaanval zou bezorgen. Het gevaarte kon veertigduizend kubieke voet gas bevatten. Pfaall nodigde zijn drie meest persistente schuldeisers uit om de nachtelijke lancering bij te wonen (zonder erbij te zeggen waar hij heen ging, en dat hij niet van plan was terug te keren). Het drietal nam net als Pfaall afscheid van de wereld, maar op een door henzelf wel heel onvoorziene manier: de snode schuldenaar blies zijn kwelgeesten op met behulp van een lange lont en een berg buskruit, net toen zijn ballon de lucht in schoot. De brokken aarde en afgerukte ledematen vlogen hem om de oren.

Pfaall had berekend dat de maan 380.000 kilometer ver weg was, en dat hij met een minimumsnelheid van 100 kilometer - een realistische verwachting omdat de aardse zwaartekracht immers zou afnemen naarmate hij klom - in ruim vijf maanden zijn einddoel bereiken kon. Hij had voldoende mondvoorraad meegenomen, maar zijn gebrek aan zuurstof baarde hem zorgen. Nadat hij in de ijle hoogten al bijna het bewustzijn had verloren en uit zijn oren was gaan bloeden, redde hij het vege lijf door een 'condensator' te installeren. Het apparaat bestond uit een grote luchtdichte zak die strak over de ballongondel moest worden getrokken, en een soort pomp die ervoor zorgde dat de omringende atmosfeer werd 'ingedikt', waarna er in de gondel voldoende zuurstof beschikbaar kwam.

De ruimtereiziger doodde de tijd met het lezen van boeken en raakte nauwelijks van streek door de donder en de bliksem die hem aanvankelijk dreigden te vernietigen. Later hield hij het hoofd koel toen hij door langssuizende objecten werd belaagd. Het waren, speculeerde Pfaall, ofwel meteorieten, ofwel rotsblokken die door een maanvulkaan met grote kracht waren uitgespuwd. De projectielen werden allengs talrijker. Slechts 19 dagen na zijn vertrek kon hij constateren waarom: hij zweefde boven de maan, welks oppervlak bedekt was met actieve vulkanen die inderdaad grote brokken materie braakten. Maar wat vooral Pfaalls oog trof: onafzienbare rijen huizen. De maan was bewoond, zelfs dichtbevolkt! En natuurlijk was gans het plaatselijk gepeupel uitgelopen om het spektakel van de dalende ballon en diens passagier gade te slaan. Van hysterie was evenwel geen sprake. De maanbewoners, lelijke kort uitgevallen wezens zonder oren, staken geen vinger naar Pfaall uit, noch uitten ze een klank. Ze stonden daar 'als een kudde idioten, met een bespottelijke grijns', zou Pfaall later noteren.

Op dit punt in het verhaal moest Poe een verklaring vinden voor het feit dat hij Pfaalls bevindingen uit de doeken kon doen. Hoe had het nieuws over de hachelijke tocht de aarde, de uiteindelijke kolommen van The Southern Literary Messenger bereikt? Simpel: de moordenaar annex astronaut had een maanbewoner bereid gevonden om in een ballon te klimmen en als koerier te fungeren. Het schepsel droeg een dikke brief van Pfaall bij zich die geadresseerd was aan de burgemeester van Rotterdam en aan professor Rubadub van het 'astronomisch college' van de Maasstad. In het epistel, dat Pfaall vijf jaar na zijn aankomst op de maan schreef, meldde de avonturier dat hij graag op aarde zou terugkeren om in detail over zijn ontdekkingen te vertellen - mits hem gratie werd verleend voor de dood van drie mensen die hij op zijn geweten had.

Zover is het spijtig genoeg nooit gekomen. Weliswaar bereikte de boodschapper ongedeerd het luchtruim boven Rotterdam, waar hij de brief overboord wierp in de kennelijke hoop dat deze in de juiste handen terecht zou komen; en de burgemeester hoefde slechts een blik van verstandhouding met de hooggeleerde astronoom te wisselen om te besluiten dat Pfaalls unieke informatie best een strafrechtelijk precedent waard was. Maar de koerier en diens ballon waren al nergens meer te bekennen. Ongetwijfeld, schreef Poe, had de boodschapper snel de aftocht geblazen, 'doodsbang geworden van het wilde uiterlijk van de inwoners van Rotterdam'.