Commissie OM overwoog af te treden

DEN HAAG, 17 OKT. De leden van de Centrale Toetsingscommissie (CTC) van justitie hebben enkele maanden geleden overwogen af te treden omdat minister Sorgdrager een opsporingsonderzoek had verboden.

Hoewel de CTC toestemming had gegeven, wilde de minister geen politieke verantwoordelijkheid nemen voor de invoer van enkele duizenden kilo's softdrugs. Dat zei CTC-voorzitter J. Jansen gisteren voor de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. De commissie werd december 1994 ingesteld door de OM-leiding om een inventarisatie te maken van alle opsporingsmethoden van politie en justitie. Ook geeft de CTC een oordeel in dubieuze gevallen.

Het ministeriële verbod voor de praktijken van het IRT Zuid-Nederland trof de CTC “onaangenaam”, zei Jansen gistermiddag. “Gaat de minister zich niet teveel met de opsporing bemoeien”, vroeg Jansen zich af. Hij stuurde na het voorval een brief naar het college van procureurs-generaal. “Maar de minister moet toch politieke verantwoordelijkheid willen dragen voor wat het OM doet?”, opperde voorzitter Van Traa van de enquêtecommissie. “Jawel, dat respecteer ik”, zei Jansen. “Maar dit was een uiterst goede manier om deze organisatie uit te schakelen. Het was jammer dat de minister er zo over dacht.”

Volgens Jansen heeft het openbaar ministerie een aangehouden criminele informant beloofd tijdens zijn proces bewust een vormfout te zullen maken om hem buiten de gevangenis te houden. Hij wilde geen nadere details geven over de plaats of het tijdstip. De politie had de informant met een aantal verdachten aangehouden om zijn geloofwaardigheid niet aan te tasten. De officier van justitie die bij het onderzoek betrokken was, zou via een fout in de procedure de rechtbank dwingen de informant vrij te spreken.

De CTC kreeg het geval onder ogen en vond de handelwijze “volstrekt onaanvaardbaar”, zei Jansen, tevens hoofdofficier van justitie in Den Bosch. Ook de Bossche procureur-generaal R. Gonsalves, aan wie de zaak werd voorgelegd, keurde de methode af. Gonsalves werd geraadpleegd in zijn functie als portefeuillehouder zware criminaliteit binnen het vijfkoppige college van PG's, de leiding van het openbaar ministerie. De vormfout werd uiteindelijk niet in scène gezet, zoveel werd gisteren duidelijk tijdens het verhoor van Jansen.

De CTC blijkt overigens weinig potjes te kunnen breken binnen het openbaar ministerie. De commissie werd opgericht om vanaf één plek vergaande opsporingsmethoden te kunnen beoordelen. In de praktijk is gebleken dat officieren van justitie er weinig voor voelen hun zaken aan te melden bij de commissie. De procureurs-generaal moesten de arrondissementsparketten tot drie keer toe oproepen alle opsporingsmethoden aan te melden. Het was de PG's duidelijk dat niet iedereen daaraan gehoor gaf.

Ook moest Jansen toegeven dat er geen waterdichte afspraken zijn over de criminele inkomsten van informanten. Volgens de CTC mogen zij hun drugswinsten “absoluut” niet houden, maar of dat in werkelijkheid niet gebeurt, weet de CTC niet. Van Traa: “Is het niet zo dat je gewoon niet kunt garanderen dat een informant die criminele winsten niet houdt?” Dat erkende Jansen schoorvoetend. “Ik kan niet zeggen dat het in alle gevallen niet gebeurt.”

Dat binnen het OM “de knop om is” wat betreft het melden van opsporingsmethoden, zoals Jansen aan het begin van zijn verhoor zei, kon hij gaandeweg steeds minder volhouden. In één geval, zei Van Traa, vroeg de commissie aan de leiders van een onderzoek drie keer om extra informatie over drugswinsten van informanten, drie keer kreeg de CTC geen antwoord.

Overigens vindt Jansen dat de mogelijkheden van politie en justitie in opsporingsonderzoeken moeten worden uitgebreid. Met de “klassieke” methoden kom je er in deze tijd niet meer, zei hij. Hij pleit voor wettelijke regelingen voor infiltratie in organisaties, observatie van verdachten, direct afluisteren met microfoons, doorlevering van verdovende middelen en een regeling voor kroongetuigen, wat meestal neerkomt op de belofte van strafvermindering en een nieuwe identiteit voor een verdachte in ruil voor informatie over de organisatie waarin hij werkte.