Biotechnologie

De markt voor de biotechnologie is een heel merkwaardige. De toekomst is er soms meer waard dan het heden. Er zijn Amerikaanse biotechnische bedrijven die in een reeks van jaren nauwelijks iets hebben verkocht en nooit geld hebben verdiend. Toch vertegenwoordigen ze een beurswaarde van vele honderden miljoenen dollars of worden ze tegen fabelachtige prijzen overgenomen. Die bedrijven broeden dan al jaren op een veelbelovende toepassing waarvan insiders van alles verwachten. Soms komt dat uit, soms ook niet.

Hoe ziet het landschap van de biotechnische industrie eruit? Een inzicht hierin geeft een recente studie van de accountants Moret, Ernst & Young over de biotechnologie in Europa met als vergelijking Amerika.

Er zijn er in de Verenigde Staten een kleine 1500 en in Europa 500 biotechnische ondernemingen. Rond drie kwart daarvan heeft minder dan 50 werknemers in dienst. De 500 ondernemingen in Europa, waarvan de helft niet ouder is dan tien jaar, behalen een omzet van zo'n 10 miljard gulden en geven enkele tienduizenden mensen werk. Zij bestrijken vijf ongeveer gelijke marktsegmenten, nl. therapie, overige gezondheidszorg, voedingsmiddelen en andere agroprodukten, industrie en milieu/energie. In Amerika is de therapie, dus bestrijding van kankers en andere ziekten met genetisch gemodificeerd materiaal, belangrijker (40 procent) dan in Europa. Meer dan de helft van de Europese ondernemingen is van plan voor het eind van de eeuw nieuwe produkten op de markt te brengen.

De biotechnologie is dus een hoog technologische en sterk innoverende bedrijfstak met veel R&D en overwegend kleine en middelgrote bedrijven. Een prachtig ideaal voor economische beleidsmakers. Wat wil je nog meer? Helaas is de lijst van verlangens en problemen in de bedrijfstak al even indrukwekkend. Het hoogst genoteerd staan: verwerving van kapitaal, meer mogelijkheden voor research en ontwikkeling, strijd om regelgeving met niet begrijpende overheden en tenslotte octrooiconflicten met te veel begrijpende concurrenten. Kort gezegd, men lijdt onder wantrouwen en onbegrip.

Het is een speciale ervaring om een biotechnisch bedrijf te bezoeken. Van de produktie ziet men weinig meer dan ingewikkelde reservoirs, retorten en pijpleidingen, waarbinnen zeer gecompliceerde vloeistoffen “pruttelen”. In zijn uiterlijke vorm is de genetic engineering dus even moeilijk te doorzien als de micro-electronica. Ook openbaren de namen - zoals bijvoorbeeld Granocyte of Orthoclone Okt3 - niets van de aard van de produkten. Meestal zijn zelfs de toepassingen, bijv. de ziekte waartegen ze dienen, voor de leek een onbekend terrein.

Meer dan in de Verenigde Staten zijn universiteiten in Europa broeikassen voor biotechnische bedrijven. De basisresearch vindt plaats in het kader van gesubsidieerd wetenschappelijk onderzoek. Door spin-offs ontstaan kleine bedrijven die doorgaans nog vele jaren nodig hebben om een enkel produkt te ontwikkelen. Over die produkten bestaat bij het publiek veel twijfel, wat gevoed wordt door onbegrip over wat men met genentransformatie wel en niet kan en mag doen. Elk land heeft wel zijn stier Herman, waarover driftig wordt gediscussieerd. Maar bijna niemand beseft dat aan ouderwetse gist ook de genetica te pas is gekomen.

Een ander verschil tussen Europa en Amerika is dat Europeanen de genen-technologie voor voedingsmiddelen en landbouwgewassen wat gemakkelijker accepteren dan de Amerikanen en omgekeerd voor medicijnen wat moeilijker doen. Toch is er sprake van een doorbraak, vooral sinds het Witboek van Delors de “biotech” aanprees als een aanjager van werkgelegenheid in het midden- en kleinbedrijf. Engeland en Frankrijk waren al niet al te ingewikkeld in hun regelgeving en nu lijkt ook Duitsland om te zijn. De Europese Commissie tracht een snellere octrooiverlening en een eenvormige goedkeuringsprocedure te bevorderen, zij het dat het Europese Parlement tot ieders verwondering hier een spaak in het wiel heeft gestoken.

Daarmee is nog geen ongekende bloeitijd voor de biotechnische industrie aangebroken. De research en produktontwikkeling nemen doorgaans veel tijd in beslag en gaan met allerlei tegenvallers gepaard. Dat maakt het ook zo moeilijk om kapitaal aan te trekken want beleggers hebben weinig geduld. Er zijn in Europa veel minder gokkers dan in de Verenigde Staten en daardoor zijn er maar weinig biotech ondernemingen op de beurs. Maar er komen geleidelijk meer investeringsfondsen en particulieren die geïnteresseerd zijn in biotech-kapitaal.

Evenals vroeger in de computerindustrie halen de kleinere bedrijven de jackpot veelal pas binnen als zij worden overgenomen door grote farmaceutische of chemische ondernemingen. Die jagen de markten af of ergens iemand nu eindelijk zijn pretentie waar lijkt te maken. Soms helpt men het lot een handje door het kleine biotech bedrijf aan te vallen op zijn octrooirechten, wat een dure juridische strijd kan betekenen. Maar komt het werkelijk tot een overnamebod dan worden jaren van tomeloos werken en eindeloos geduld beloond met een prijs die de toekomstwaarde van het bedrijf in een klap verzilvert.

    • J.E. Andriessen