Straver: Haarlem wordt ten onrechte gecriminaliseerd

DEN HAAG, 16 OKT. Het politiekorps van Haarlem wordt ten onrechte “gecriminaliseerd”. Dat zei de Haarlemse korpschef, M. Straver, vanmiddag voor de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden.

Het Haarlemse korps heeft de afgelopen weken tijdens de openbare verhoren voortdurend onder vuur gelegen wegens de opsporingsmethoden die zijn gebruikt in het zogenoemde Delta-onderzoek van het voormalige IRT-Noord-Holland/Utrecht.

Straver zei tegen de enquêtecommissie dat “geen enkel korps het verdient zo gecriminaliseerd te worden”. Volgens hem gebeurt dat onder meer doordat vanuit politie en openbaar ministerie zeer geheime informatie wordt gelekt. Ook de suggestie van de Amsterdamse officier van justitie F. Teeven dat medewerkers van de Haarlemse criminele-inlichtingendienst (CID) zich persoonlijk zouden hebben verrijkt tijdens opsporingsonderzoeken is Straver in het verkeerde keelgat geschoten.

Volgens de Haarlemse korpschef is het bewust zwartmaken van de opsporingsmethodieken in het belang van degenen die “de theorie aanhangen dat het IRT destijds is opgeheven wegens de omstreden werkmethode”. Die theorie kwam uit het Amsterdamse deel van het toenmalige IRT.

Vlak voor Straver werd de Amsterdamse commissaris J. van Riessen gehoord. Die zei nog dat politie en justitie in Haarlem zich in de IRT-zaak zelf hebben beziggehouden met het “organiseren van criminaliteit”.

Van Riessen was begin 1994 door de commissie-Wierenga als een van de hoofdschuldigen aangewezen voor de plotselinge ontbinding van het toenmalige IRT, december 1993. Volgens Van Riessen had de informant van het IRT een “vrijwaring” van de politie voor de invoer van grote partijen verdovende middelen. Deze informant, die werd begeleid door de politie in Haarlem, deed de bestellingen van de drugsorganisatie volgens Van Riessen zelf in Colombia en bepaalde wanneer een zending naar Nederland zou gaan.

“Het is een boude bewering dat de overheid criminaliteit organiseerde”, zei Van Riessen vanochtend. “Maar mijn stelling wordt alleen maar meer bewaarheid.” Volgens Van Riessen heeft de CID-chef van het IRT, A. Augusteijn, gezegd dat de operatie “absoluut” niet meer gestopt kon worden. Van Riessen zei dat hij “tot op de dag van vandaag” van mening is dat hij bij de Amsterdamse politie de juiste beslissingen heeft genomen.

Pag.3: Van Riessen ontkent lekken naar de pers

Tot nu toe hebben politie en justitie voor de enquêtecommissie steeds beweerd dat de politie alleen hand- en spandiensten verrichtten nadat de drugscontainers in een Nederlandse haven waren aangekomen. Voormalig IRT-officier van justitie O. van der Veen stelde eerder dat er met medewerking van de politie “geen gram” was ingevoerd.

Van Riessen zei verder dat hij tijdens een functioneringsgesprek in 1994 met toenmalig minister van binnenlandse zaken Van Thijn te horen heeft gekregen dat hij zich niet meer met IRT-zaken mocht bemoeien totdat er een nieuw IRT in de regio zou zijn opgericht. “Ik mag mij daar nu dus wel mee bemoeien”, zei Van Riessen. Volgens hem bestond afgelopen zomer het plan bij de politie dat hij de draad weer zou oppakken bij dit nieuwe kernteam van Amsterdam. Minister Dijkstal, de huidige minister van binnenlandse zaken, liet de Amsterdamse burgemeester Patijn echter weten dat hij dit “niet verstandig” achtte in verband met mogelijke publiciteit rondom de persoon van Van Riessen.

Van Riessen kon desgevraagd niet verklaren hoe het heeft kunnen gebeuren dat in een boek van Parool-journalist B. Middelburg over de IRT-affaire vrijwel letterlijk wordt geciteerd uit een geheim rapport van Van Riessen. De commissie vroeg Van Riessen of hij weleens bewust documenten heeft “gelekt” naar de pers. Dat ontkende hij.

Een criminele infiltrant die zegt te hebben gewerkt voor de politie in Den Haag zou van procureur-generaal Docters van Leeuwen instructies hebben gekregen voor de getuigenverklaring die hij moet afleggen voor de enquêtecommissie. De man zou binnenkort moeten verschijnen. Het college van procureurs-generaal bestempelt de aantijging als “klinkklare onzin”. De infiltrant zei gisteren voor de VPRO-televisie dat hij op 30 september werd ontvangen op het hoofdbureau van politie in Den Haag. Daar kreeg hij te horen dat hij tegenover Van Traa niet moest ingaan op alle zaken waarbij hij in opdracht van politie en justitie betrokken is geweest.