Een kauw kamt heel teder je wimpers

De dinosaurussen zijn niet uitgestorven. Hun nazaten jagen op kruimels appelgebak op terrassen, bedelen bij hengelaars om vis en stampen rond op uw dak: vogels. De stad is vaak de beste plek om ze van dichtbij te zien. Vandaag kijken we naar kauw, zwarte kraai en roek.

Kauwen - je zou drie advertentiepagina's moeten huren om ze recht te doen. Alle kraaien zijn slim. Maar kauwen combineren hun intelligentie met een handzame vormgeving die in de bebouwde omgeving heel goed van pas komt. Ze lijken in te teren op de status van hun grotere familieleden. Volledig overbodig kunnen twee kleine kauwen een dertig meter strekkende dakrand die vol zit met rustende meeuwen en duiven vogelvrij maken, door even over de volle lengte te lopen. Het lijkt een onschuldige manier om zich te laten gelden. Bij vervelend, miezerig weer laten diezelfde kauwen de medevogels ongemoeid, en gaan er gewoon tussenin zitten. Kraaien zijn grote zangvogels, met stevige snavels en brede vleugels. Er zijn drie alledaagse kraaien die overwegend zwart zijn. De kauw is daarvan de kleinste. Hij is de perfecte studie in grijs. Zijn vleugels en staart zijn zwart; zijn onderkant donkergrijs, terwijl zijn kop en hals het hele spectrum van diepzwart tot zilvergrijs beslaan. Lichte ogen met een felle pupil maken het geheel extra welsprekend. Kauwen bewegen zich in luidruchtige groepen van een tiental tot, in de winterse polder, honderden dieren. Soms zijn ze ook wel in paartjes op pad. Het zijn spectaculaire vliegers, die soms de dwarrelwinden rond hoogbouw opzoeken voor het betere stuntwerk.

Tegenover mensen moet je afstand bewaren; voor dat soort waarschuwende instructies aan hun jongen beschikken kauwen over een diepe keelratel. Hun dagelijks vocabulaire is uitgebreid. Heel herkenbaar is het 'kè' dat jonge kauwen hun ouders toeroepen; een open 'káá' is de groet tussen partners. Die zijn monogaam. Een vrouwtje dat zich bindt aan een hooggeplaatst mannetje kan van de ene op de andere dag vele plaatsen in rangorde stijgen, van aarzelende voetveeg tot vogel met gezag. Voorzover de groepsgenoten al zelf niet die gevolgtrekking gemaakt hebben, krijgen ze dat voortvarend ingepeperd.

Maar kauwen kunnen ook ontzettend teder zijn. Een kauw in gevangenschap houden is misdadig. Zoals Judith Herzberg het beschreef: 'Wanneer de avond op komt zetten en gaat waaien/ wil hij de wolken in.' Maar bij een verweesd jong, dat je grootbrengt en langzaam laat verwilderen, mag het. Dat levert een mooi kijkje op kauwenintimiteit. De kopveertjes laten ze graag beroeren, en ze zijn niet te beroerd om daar wat voor terug te doen - heel voorzichtig met de snavel je wimpers kammen, bijvoorbeeld. Of met fijntjes samengeknepen snavel een oorlelletje vibrerend masseren. Ondertussen spreken de krimpende en uitzettende pupillen boekdelen vol emotie. De zwarte kraaien, een flinke maat groter, staan wat de praktische intelligentie betreft nog een stukje hoger. Dit zijn opportunisten bij uitstek - slim en berekenend. Zwarte kraaien zijn territoriale vogels die in afgezonderde paartjes broeden en verder als het zo uitkomt aan groepsvorming doen - in de winter bijvoorbeeld. Dit is de enige zwarte kraaiachtige die je ook vaak in zijn eentje ziet. Hij is groot, egaal glanzend zwart, met duidelijk vingers aan de vleugels en een langzame, roeiende vleugelslag. Hij heeft donkere ogen en levert met sonore, laag krassende geluiden commentaar op zijn omgeving. Zware vervolging heeft zwarte kraaien schuw gemaakt, maar de stad leren zij steeds meer als vrijhaven zien. Dat leidt op sommige plaatsen al tot protest binnen politieke bestuursorganen. We citeren een plaatselijk PvdA-standpunt: “Het blijft een gegeven dat kraaien de eieren van andere weerloze vogels opeten.”

Vooral onvolwassen zwarte kraaien vormen groepen, en zoeken met veel luidkeels overleg de slaapplaatsen op. Maar de vergelijkbare roeken zijn echte kolonievogels. Zij hebben een hoekiger voorkomen en smallere vleugels dan de zwarte kraai; de staart is niet recht afgesneden maar wigvormig. Een roek vliegt minder bedaard en krast hoger en nasaler. Volwassen dieren zijn het makkelijkst te herkennen aan de kale, witte huid rond de snavelbasis, en het hoge, abrupt oprijzende voorhoofd. Bovendien heeft de roek een 'broek' van afhangende veren rond het bovenbeen, als ezelsbruggetje naar de naam. Roeken zijn echte plattelandsvogels maar broeden soms in de stad. In groepen wroeten zij in de grond, de schade aan landbouwgewassen vergoedend door hun insektenverdelgende kwaliteiten. Jacht en landbouwgif hebben de roek parten gespeeld, maar hij is weer steeds vaker te zien. Bij het Amsterdamse Amstelstation bevindt zich een bescheiden kolonie. Die gaat het tegenwoordig weer goed, met zo'n tien nesten. Het vooroorlogse peil - wel tweehonderd paren - wordt nog lang niet gehaald. Het kenmerkt de veelzijdigheid van kraaien dat zij zowel lopen als hippen. Hippen, in een gehalveerde spronggalop, doen zij vooral bij haastklussen. Het schakelpunt lijkt individueel bepaald; de snelste ren is immers sneller dan de langzaamste hip.

Speciale stadsrisico's: uitbreidende horeca. Roeken kan het overkomen dat hun kolonie opeens onder vuur genomen wordt. De gemeente Emmen, die zo graag stad wil zijn en daar menige kwaliteit aan offert, leverde deze zomer een voorbeeld. De aloude roekenkolonie in het centrum bezorgde de zich nijver uitbreidende middenstand en horeca overlast. Dankzij protesten werd het schieten - midden in het broedseizoen - stilgelegd. Maar die vanzelfsprekendheid waarmee naar het geweer gegrepen werd blijft wonderlijk.

    • Frans van der Helm