De vertaalslag

De schrijver-politicus Jacques de Kadt schamperde eens over de vele verwijzingen naar Huizinga in deftige toespraken: “De redenaar voelde zich verplicht een paar Huizingaatjes in z'n speech te verwerken, en zelfs het gemiddelde lid der Tweede Kamer vond gelegenheid te laten merken dat-ie cultureel 'bij' was en z'n Huizinga kende.”

Het is niet moeilijk om te raden hoe De Kadt zou hebben gereageerd op het debat over internationaal cultuurbeleid dat de fractievoorzitters van de paarse coalitiepartijen vorige week voerden. Ook daar wemelde het van de Huizingaatjes. Vooral werd verwezen naar de klassieke manier waarop de Groningse historicus de vruchten van de tegenspoed probeerde te plukken door uit de Nederlandse kleinheid een grote missie te peuren. Onze meerwaarde bestaat erin kruispunt te zijn van drie belangrijke taalgebieden: Frans, Engels en Duits.

Vooral D66'er Wolffensperger mobiliseerde dat beeld van Nederland als overslagplaats van ideeën, als specialist van de infrastructuur of in zijn woorden als 'wereldwinkel'. Die laatste term verwijst naar de plaats die handel hier heeft. Maar dat is misleidend. We exporteren namelijk heel veel agrarische produkten, maar onze cultuur staat voornamelijk in het teken van de import. We nemen veel op en geven weinig terug. Te weinig volgens velen en daarom wordt er veel gepraat over internationaal cultuurbeleid.

Het debat van de Boekmanstichting was georganiseerd naar aanleiding van het verschijnen van de bundel Waarin een klein land. Door een keur van auteurs wordt bekeken hoe het staat met de doordringing van de Nederlandse kunsten elders - van de verkoop van 'onze' Rembrandts tot en met de uitvoering van Nederlandse componisten.

Ton Bevers, hoogleraar kunst- en cultuurwetenschappen, schilderde bij wijze van inleiding op het debat een desastreus beeld: “In het klassieke wereldrepertoire zijn geen Nederlandse componisten vertegenwoordigd. (...) Nederlandse speelfilms hebben op de grote internationale festivals van Cannes, Venetië en Berlijn nooit een prijs behaald, wel in enkele specialistische niches van de markt (...) Geen van de vertaalde Nederlandse auteurs is doorgedrongen tot de canon van de wereldliteratuur. (...) Nederlandse beeldende kunst in het buitenland - op biënnales, beurzen en presentaties als de Documenta te Kassel - wordt maar weinig opgemerkt en blijft dikwijls onbesproken. (...) Op de televisie heeft het buitenlandse culturele aanbod een overheersende positie.”

Het was even stil in de zaal. Hoewel het beeld naar het karikaturale neigt, is de conclusie onontkoombaar: Nederland hoort, in Bevers' terminologie, tot de 'semi-perifere' landen in het internationale culturele verkeer. De vraag is, of dat zo heel erg is en vervolgens hoe de toegankelijkheid van de Nederlandse cultuur in den vreemde kan worden bevorderd.

VVD-fractievoorzitter Bolkestein ging uitvoerig op zijn liberale been staan en maakte korte metten met elke poging om de kunsten te benutten als 'glijmiddel' voor handel of diplomatie. Daarin had hij groot gelijk. Maar tegelijk wordt daarmee een andere vraag ontweken: in hoeverre zou de politiek zich dienstbaarder moeten tonen aan de kunsten? Door cultuur en politiek geheel uiteen te trekken gaat namelijk al snel elke urgentie verloren waar het gaat om het behoud en de verbreiding van het eigen cultuurgoed.

Natuurlijk is Europa in een liberale optiek vóór alles een commerciële markt. Maar het is toch evenzeer duidelijk dat de betrekkingen tussen de naties in Europa in hoge mate worden bepaald door culturele beelden die men over en weer koestert. De vertaalde Nederlandse romans zijn waarschijnlijk heel wat belangrijker voor de verhoudingen tussen Nederland en Duitsland dan de vele reizen en toespraken van onze politici bij de oosterburen.

De PvdA'er Wallage had wat dat betreft het gelijk meer aan zijn zijde: “Onze tomaten en gloeilampen krijgen hechtere ondersteuning vanuit het thuisfront dan onze film, onze muziek, onze beeldende kunst. Het heeft het beeld van ons land internationaal versmald tot dat van handige handelslui.”

De wereldwijze nonchalance waarmee we vaak met ons cultuurgoed omspringen, is niet goed. De waardering voor het gesprek dat we in de eigen taal met elkaar voeren zou moeten samengaan met een poging om de vruchten daarvan de grens te laten overschrijden. Merkwaardig genoeg maakten Wallage en Wolffensperger zich in het debat wel zorgen over de nationale identiteit en het 'beeldmerk' van Nederland in een integrerend Europa, terwijl Bolkestein elke vrees ferm van zich wierp en het culturele nationalisme deze keer meed.

In zijn ogen is internationaal cultuurbeleid vóór alles gericht op de verhoging van de kwaliteit van de Nederlandse kunsten, bijvoorbeeld door uitwisseling. Met kwaliteit staat of valt alles, dat is waar. Maar tegelijk onderschat hij de structurele belemmeringen die bijvoorbeeld een klein taalgebied met zich meebrengt.

De recente ontdekking van de Nederlandse letteren over de grens, te beginnen in Duitsland, vloeit toch niet voort uit een plotselinge opleving van onze literatuur? Veeleer is het zo dat een gerichte politiek van vertaalsubsidies en het Nederlandse Schwerpunkt op de Buchmesse van 1993 de drempel hebben verlaagd. Zo kan met betrekkelijk weinig middelen de sneeuwbal aan het rollen worden gebracht.

En dat is nodig. Uit een boeiende verhandeling van de socioloog Johan Heilbron in de bundel Waarin een klein land blijkt namelijk dat de vertaalslag nog lang niet is gewonnen. Het zal niemand verbazen dat in Nederland een kwart van de totale boekenproduktie uit vertalingen bestaat en dat daarbij het Engels inmiddels ongeveer tweederde van de vertalingen voor zijn rekening neemt.

Het vertaalverkeer in de andere richting heeft heel andere kenmerken. In de periode van 1958 tot 1987 bijvoorbeeld schommelt het totaal van de uit het Nederlands vertaalde boeken tussen 3,5 en 4,5 procent van de totale boekenproduktie, dat wil zeggen een zesde van het aantal vertalingen in het Nederlands. Daarbij neemt het Duits een derde voor zijn rekening en is zo de belangrijkste taal voor vertalingen uit het Nederlands. Engels en Frans volgen met elk rond de twintig procent.

Kijken we ten slotte naar de genres en de auteurs die worden vertaald uit het Nederlands dan valt op dat deze zelden tot de literaire of intellectuele canon behoren. In de periode 1900-1957 treffen we in de top van de lijst auteurs aan als Jo van Ammers-Küller, Johan Fabricius, Willy Corsari en Jan de Hartog. In de periode 1958-1987 zijn het jeugdboeken en theologie die tot de top doordringen: Dick Bruna, Willy Vandersteen, Anne de Vries en Edward Schillebeeckx. De vraag is, of we niet ook op een andere manier gekend willen worden.

In het parlement zijn deze gegevens niet onopgemerkt gebleven. De parlementariër Oussama Cherribi vroeg aan staatssecretaris Nuis of hij de vertaling van fictie èn non-fictie wil bevorderen. Het antwoord was, zoals dat gaat, niet onwelwillend, maar tegelijk nogal vaag. Wel zegt Nuis toe aandacht te zullen besteden aan de kwaliteit van vertalers. Wil de meerwaarde van de nabijheid van drie taalgebieden echt worden uitgebuit, dan is een hyperactieve vertaalpolitiek nodig.

Eindigen we met een Huizingaatje. “Wij hebben alle vensters van ons huis openstaan, en laten er den zeewind en landwind door blazen.” Deze ijle dialectiek van nemen en geven heeft natuurlijk iets wanhopigs. Misschien beoogt internationaal cultuurbeleid in Nederland niets anders dan die wanhoop wat te temperen.

    • Paul Scheffer